Alledaags schrijven

Joost Schilperoord: It's about time. Temporal aspects of cognitive processes in text production. 325 blz., Rodopi 1996, ƒ 100,-. Promotie 29 februari, Universiteit Utrecht. Promotor Prof.dr.mr P.J. van den Hoven.

Het persbericht bracht me op het spoor van dit proefschrift. Eindelijk eens iemand die tegen beginnende schrijvers durft te zeggen vooral veel gebruik te maken van staande uitdrukkingen en van clichés. Het maakt het schrijven zoveel gemakkelijker en het stuurt de gedachten. Een zin die begint met 'In het kader van', 'In antwoord op uw schrijven' of 'Ten behoeve van' levert geen literair proza op, maar wel teksten die zichzelf bijna schrijven, zo gemakkelijk gaat het daarna.

Op het eerste gezicht lijkt dat wat vreemd, omdat het om zulke lege en bleke formuleringen gaat. Maar iedereen weet hoe het soort zin dat zo begint er ongeveer uit zal zien: 'In het kader van A gaat het om B', 'In antwoord op uw schrijven' geef ik vervolgens aan of iets wel of niet het geval is, 'Ten behoeve van' iets zal iets anders gedaan worden. Wat prettig is voor de schrijver, omdat zijn schrijven verrassingsloos vertellen is van wat hij weet, is ook gemakkelijk voor de lezer, althans voorzover hij met de betreffende staande uitdrukkingen vertrouwd is. Hij herkent in het werk van de schrijver de vorm die hij in het gegeven geval ook zelf zou gebruiken.

Het verhaal van het boek van Schilperoord is van een heel andere orde dan het persbericht. Ik had het meegenomen op reis met het idee er een leuk en toch wetenschappelijk verantwoord stukje over het schrijven van stukjes over te kunnen schrijven. Dat viel tegen, want de cognitieve tekstlinguïstiek is een wel zeer ernstige vorm van wetenschap die bovendien voor buitenstaanders nauwelijks nog toegankelijk is. Sinds Noam Chomsky nu alweer bijna 40 jaar geleden met een piepklein proefschriftje over 'Syntactic Structures' voor het mooist denkbare voorbeeld van een paradigmawisseling in de alfa-wetenschappen zorgde, is de linguïstiek uitgegroeid tot een beta-wetenschap met sterke verbindingen met de logica, de wiskunde en de cognitieve psychologie. Dat is zware en nogal droge kost, maar intellectueel zeer de moeite van het kauwen waard.

Ooit heb ik, net als Jürgen Habermas en een hele reeks andere sociologen, nog gehoopt in het voetspoor van Chomsky een grammatica van de sociale interactie en communicatie op te kunnen stellen, maar mede namens Habermas moet ik helaas meedelen dat dit niet gelukt is. Ik geloof ook niet dat er op dit moment nog iemand met zoiets bezig is, maar het geeft wel aan hoeveel indruk de theorieën van Chomsky ook buiten de linguïstiek gemaakt hebben. Chomsky is in dat opzicht zelf nogal terughoudend geweest. Zijn politieke denken, in Nederland opnieuw bekend geworden door zijn discussie met Bolkestein, heeft geen directe verbinding met zijn taaltheoretische werk. Voorzover ik weet was hij ook nooit erg geïnteresseerd in de mogelijke praktische consequenties daarvan.

De sprong naar handige tips voor het schrijven van teksten wordt ook in 'It's about time' niet gemaakt. Wie daar belangstelling voor heeft, moet dit dure, maar zeer goed verzorgde boek zeker niet kopen. Schilperoord houdt zich bezig met de vraag hoe in het alledaagse leven teksten tot stand komen, en wat daarin de rol van de pauzes tijdens het spreken of het haperen van de pen tijdens het schrijven is. Praatpauzes zijn pauzes om te kunnen denken, over hoe het verder moet en of het niet anders moet. Soms zal de spreker of schrijver het reeds gezegde of gestelde corrigeren, vaker zal hij op zoek zijn naar het juiste woord of de beste verbinding. Iedereen doet dat soort dingen duizenden keren per dag en we letten er eigenlijk alleen op als we bijvoorbeeld niet op een naam kunnen komen of in een vreemde taal een zin niet rond krijgen. Deze mooie uitdrukking zegt niet alleen dat zinnen een min of meer vaste structuur hebben, maar suggereert ook dat een tekst in zekere zin planmatig tot stand komt. Pauzes zijn keuze- en beslissingsmomenten in het ontwerpen en uitvoeren van het plan.

Hoe onderzoek je zoiets? Joost Schilperoord heeft wat mij betreft de Tom Poes-prijs 1996 voor de beste wetenschappelijke list verdiend. Hij heeft van een aantal advocaten tapes met ingesproken briefconcepten weten te krijgen en was daardoor in staat het pratend produceren van geschreven teksten te analyseren. Veel advocaten zijn gewend hun brieven in te spreken en al sprekend (zichzelf verbeterend, hier en daar aarzelend, interpunctie en alinea's aangevend) componeren zij hun schriftelijke teksten. Zij worden daarbij zeer geholpen door hun lange ervaring met een bepaalde standaardopbouw en het gebruik van vaste uitdrukkingen, die niet noodzakelijk ook altijd juridisch van karakter hoeven te zijn. Uit onderzoek blijkt dat aan het resultaat meestal niet te zien is of de concepttekst sprekend of schrijvend tot stand is gekomen. Het omgekeerde is overigens ook waar. Ooit had ik een baas die voor alles de dictafoon gebruikte en ik vond dat je dat aan zijn brieven in slechte zin heel goed kon zien. Toen hij toch een keer een concept moest schrijven - de batterijtjes waren op of zo - bleek de brief overigens geen haar beter. Hij was een man van eenregelige mededelingen en van een overmaat aan aanwijzingen ('uitroepteken, regel wit, nieuwe alinea, drie letters inspringen, aanhalingstekens, haakje open...'). Een brief bestond uit gemiddeld vijf geïsoleerde mededelingen en de vele aanwijzingen waren weinig meer dan verhulde pauzes.

Pauzes in het produceren van teksten vinden niet op willekeurige momenten plaats en duren ook niet even lang. Ze vertonen een patroon, dat met wat kanttekeningen goed blijkt te passen in de natuurlijke grammatica die aan ons spreken ten grondslag ligt en die door Chomsky voor het eerst beschreven is. De langste pauzes worden gemaakt tussen twee alinea's, vervolgens tussen zinnen en in zinnen weer tussen verschillende delen en woordblokken. In de lengte en de plaats van de pauzes ziet Schilperoord een onderliggende hiërarchische cognitieve structuur weerspiegeld. Aan een algemeen idee over wat in de volgende alinea aan de orde moet komen, wordt geleidelijk aan steeds preciezer vorm gegeven en daarmee wordt ook de variatiebreedte van wat nog komen kan, geleidelijk aan steeds kleiner. De schrijver van de tekst staat bovenaan een trap, die naar beneden toe steeds smaller wordt en waarvan de treden ook steeds lager worden.

Schilperoord baseert zijn analyses op teksten van zeer geroutineerde schrijvers, die met groot gemak en in hoog tempo complete tekstblokken weten te produceren. Ze denken niet per woord, zinsdeel of zelfs zin, maar in samenhangende tekstblokken met een opvallend groot aantal vaste uitdrukkingen en zinswendingen. Dat zijn als het ware de paaltjes, waartussen ze de lijnen van hun specifieke gedachten over een bepaald onderwerp spannen. Een juridisch stuk of een zakenbrief is daarom niet een variatie op een thema, maar een stramien dat ingevuld kan worden. Het stramien wordt gevormd door een min of meer gestandaardiseerde en conventionele opbouw (aanhef, opening en verwijzing, omschrijving thema, aangeven eigen standpunt, afsluiting, groet), die stevigheid krijgt door het gebruik van vaste structuren, die de orde van het betoog bepalen en richting geven aan het verhaal. De geoefende schrijver wint zo tijd en hoeft eigenlijk alleen nog aandacht te geven aan waar het 'echt' om gaat, om hetgeen deze brief of dit stuk onderscheidt van alle andere die hij op die dag per dictafoon schrijft.

Het lijkt allemaal nogal vanzelfsprekend, maar het pauzefenomeen is tot nu toe nog nauwelijks onderzocht en vooral de geslaagde poging van Schilperoord om te kijken hoe grote stukken tekst al sprekend geschreven worden, is een grote stap vooruit in het taalwetenschappelijk onderzoek. De dictafoon levert unieke mogelijkheden om de verbinding tussen denken, spreken, luisteren en schrijven als een natuurlijk experiment te onderzoeken. In zijn proefschrift gaat de analyse veel verder en dieper dan ik hier wil en kan laten zien. Mij boeide vooral de oplossing van een fenomeen, dat ik altijd typisch heb gevonden voor onervaren schrijvers, maar nooit heb gegrepen: het onvermogen om in alinea's te schrijven.

Hoe minder ervaren een schrijver, hoe moeilijker het blijkt te zijn om zelfs maar een gewone, goed lopende zin te schrijven. In die situatie is er natuurlijk geen tijd en aandacht voor het ontwerp van een alinea als een afgerond verhaaltje. Wat je dan vaak ziet, zijn bladzijden waar geen enkele alinea op voorkomt of waar iedere zin zijn eigen alinea wordt. Wordt er toch geprobeerd met echte alinea's van zo'n tien of twaalf regels te werken, dan zie je vaak dat de overgang naar de nieuwe alinea niet lukt. Het verhaaltje blijkt niet goed afgerond te kunnen worden en de alinea draait op het einde vaak terug naar het begin. De boel loopt dan vast. Schilperoord volgend zou je dan moeten concluderen, dat dit niet - of niet alleen - een kwestie is van onhandig formuleren, maar vooral van onhandig denken. De schrijver komt gewoon schrijfmateriaal tekort, hij heeft geen betoogpaaltjes en geen verhaallijntjes. Hij is vooral heel erg bezig met het schrijven van woorden. De ervaren schrijver heeft minder tijd nodig voor het schrijven zelf en kan het daarom steeds beter! Hij vertelt wat hij weet en hij weet te vertellen wat hij weet.

Uit naam van veelgeplaagde redacteuren en zwaar zuchtende beginnende schrijvers zou ik Joost Schilperoord willen vragen zijn proefschrift nu gauw te laten volgen door de mooie handleiding voor het goede gebruik van vaste uitdrukkingen, clichés en alinea's waarover hij in het persbericht al zo enthousiast spreekt.