Voor de vorm; Aanstoot

'Penis', stond in kanjers van rose letters op een viaduct naast de spoorlijn, ergens in Rotterdam. Voor een graffito verrassend leesbaar, en als beeld onvergetelijk. Het is al twee jaar geleden, en nog steeds vraag ik mij af hoe de maker tot juist deze inscriptie zou zijn gekomen. Had hij eerst overwogen om het genoemde lichaamsdeel zelf af te beelden? Of kwam hij van de verbale kant, en stond de penis voor een drieletterwoord?

Misschien, heel misschien wilde iemand met dit geschilderde woord een grap maken over wat wel en niet aanstoot geeft in de moderne cultuur. Die grap was dan goed gelukt. De passant die de rose letters las, moest wel denken aan één ding. Maar de schok kreeg iets komisch door het nette woordgebruik.

Het is ook leuk te bedenken hoe ver dit effect kan worden opgerekt. Het woord 'schede' zou nog een vergelijkbare uitwerking hebben gehad. Maar een al te obscure medische term weer niet. Het is ook niet zo dat elk aanstootgevend concept kan worden vervangen door een keurig woord: door 'verkrachting' op een muur te kalken zou je geen enkel effect bereiken.

Dat dit een graffito was, en niet in een erkend museum als kunst werd gepresenteerd, maakte het alleen maar leuker. Het grapje ging juist over graffiti. Bovendien, graffiti artists hebben weliswaar hun eigen beroepseer, maar wie op viaducten schrijft, geeft toch geen blijk van overdreven pretenties.

Over wat precies aanstootgevend is lopen de meningen verder uiteen dan ooit. Neem Gilbert & George, het Britse tweetal van wie de 'Naked shit pictures' nog tot zondag in de erezaal van het Stedelijk Museum hangen. Naaktfoto's van de kunstenaars zelf, penissen goed in het zicht, en daartussen meer dan levensgrote drollen. Het geheel is vermomd als gigantische glas-in-loodramen. Zelden werd een kleinere boodschap met meer geldingsdrang gepresenteerd.

Maar verontwaardigd is niemand meer, tenminste niet in Amsterdam: in Londen is er vorig jaar nog enige ophef over ontstaan. Ook de platte beeldgrappen van Sarah Lucas in Museum Boymans in Rotterdam (waarvan de nieuwe directeur Chris Dercon nog zo gehoopt had dat zij 'ontregelend' zouden werken) haalden niets uit. Dercon was misschien ontgaan wat je tegenwoordig elke week in de krant kunt lezen: dat het Nederlandse kunstpubliek niet meer te choqueren is.

De bereidheid van de mens om aanstoot te nemen varieert niet alleen naar tijd en plaats, maar vertoont ook merkwaardige golfbewegingen. Lichtjaren scheiden ons van koningin Victoria, die trouwpartijen altijd een beetje pijnlijk vond omdat zij de feestelijke sanctionering vormden voor iets heel vleselijks.

Toch besloot de Amsterdamse politie onlangs ferm dat het maar eens afgelopen moest zijn met de obscene uitstallingen langs de straat - maar bij nader inzien bleek het alleen te gaan om schunnige kaarten in rekjes met ansichten. De etalages in de rosse buurt, vol armlange vibrators, wijdbeense opblaaspoppen en foto's van live sex blijven gewoon toegestaan. Misschien heeft een politie-ethicus erop gewezen dat het levende (hoewel deels geklede) vrouwenvlees in de belendende etalages toch eigenlijk niet minder schokkend is; en dat kan natuurlijk niet worden verboden.

Is in de kunst, zo kun je je afvragen, meer aanstootgevends toegestaan dan in de rest van het openbare leven, of minder? Vroeger was het antwoord meer; zelfs koningin Victoria moet naar voorstellingen op schilderijen hebben gekeken waarvan zij 'in levenden lijve' zou zijn flauwgevallen.

Maar tegenwoordig zijn kunstenaars die iets van belang te melden hebben kuiser dan de makers van menig reclamespotje, en zeker dan de etalages op de Wallen. Dat is ook logisch, want de energie, ja het geweld dat nodig is om de kunstliefhebber nog te schokken is buitensporig. Dat doen ze elders beter. Wat je overhoudt is een artistieke vrijheid, zo groot dat je er pleinvrees van zou krijgen. Het is geloof ik die pleinvrees, die maakt dat sommige kunstenaars blijven schoppen tegen muren die al lang zijn afgebroken.