Vermeer als held van filmers en cameralieden

Het licht van Vermeer. Filmfestival over de invloed van de 17de eeuwse Nederlandse schilderkunst op de cinema. Filmhuis Lumen, Delft, tot en met 10 april. Delen van het programma worden herhaald in het Haags Filmhuis, Kriterion, Amsterdam en andere filmtheaters. Informatie: 015 2140226.

Ongelooflijk, maar waar: het samenvallen van een uit dertig films bestaand programma van het nieuwe Delftse filmtheater Lumen over de invloed van de 17de eeuwse Hollandse schilders op de cinema met de grote Vermeertentoonstelling in Den Haag berust op toeval. De opening van de nieuwe behuizing van het Delftse filmhuis moest om technische redenen steeds uitgesteld worden. Toen een paar jaar geleden het idee ontstond om die feestelijke gebeurtenis op te luisteren met naar het werk van de beroemdste Delftenaar verwijzende films, was men in zijn geboortestad nog niet op de hoogte van de komst van de 23 schilderijen naar het Mauritshuis.

Heel wat filmmakers hebben in hun werk en in toelichtingen daarop getuigd van hun bewondering voor Johannes Vermeer (1632-1675). Het ongelijksoortige programma bevat enkele van die expliciet Vermeer citerende films, zoals A Zed and Two Noughts (Peter Greenaway, 1985) en All the Vermeers in New York (Jon Jost, 1990), waarin de Vermeerzaal van het Metropolitan Museum het serene decor vormt voor de ontmoetingen tussen een effectenhandelaar en een Franse actrice. Een verrassing vormt Bleak Moments, de debuutfilm uit 1971 van de Brit Mike Leigh, de latere regisseur van Naked; de kadreringen van interieurs, deuren, ramen en een doorgeefluik verwijzen precies naar Vermeer in dit schitterend-lege portret van vervreemding en onmacht in het leven van een Londense secretaresse.

Twee films met Bette Davis uit de jaren veertig (The Great Lie en The Man Who Came to Dinner), beide gefotografeerd door Tony Gaudio, mochten in dit programma niet ontbreken, nadat de Amerikaanse kunsthistorica Anne Hollander in haar boek Moving Pictures de Vermeercitaten aangetoond had. Zinvol is ook de opname van mini-retrospectieven van twee cameralieden die in hun belichting schatplichtig zijn aan de Hollandse Meesters: de Fransman Henri Alekan (La belle et la bête, Het dak van de walvis, Der Stand der Dinge) en de Nederlander Eduard van der Enden (Dorp aan de rivier, Adriaan Ditvoorsts Flanagan en het ook thematisch relevante Trompe l'oeil).

Moeizamer is de uitbreiding van het thema naar de wisselwerking tussen schilderkunst en film in het algemeen, zoals in Godards Passion of Antonioni's Il deserto rosso. Potsierlijk is de selectie van Schlöndorffs Un amour de Swann (omdat Proust zoveel gedaan heeft voor de herontdekking van Vermeer) of Kubricks Barry Lyndon (wegens het feit dat Kubrick, een op geheimzinnigheid gesteld filmer met een klein oeuvre, hier met natuurlijk licht werkt). Bijna alle dertig films zijn echter de moeite van (her)vertoning ruimschoots waard, zeker wanneer men ze bekijkt met de gedachte in het achterhoofd dat filmen schilderen met licht is. Het Delftse filmtheater Lumen heeft zich, ook in de begeleidende catalogus, enigszins vertild aan de implicaties van een festival, dat nogal wat overhoop haalt. Het is in ieder geval een moediger en interessanter programmering dan, zoals de meeste filmtheaters doen, met de steun van een ambassade een landen- of regisseursretrospectief opzetten.