Senaat aanvaardt prestatiebeurs

DEN HAAG, 27 MAART. De Eerste Kamer heeft gisteren ingestemd met de invoering van de prestatiebeurs op 1 september 1996. Dit betekent dat toekomstige studenten een beurs krijgen voor de officiële studieduur, in de meeste gevallen vier jaar. Studenten die een technische studie gaan volgen, ontvangen gedurende vijf jaar een studiebeurs. Ook keurde de senaat een verdere verhoging van het collegegeld voor het hoger onderwijs goed.

Studenten krijgen de prestatiebeurs eerst als een rentedragende lening uitgekeerd. Als ze binnen zes jaar hun diploma halen, wordt deze lening met terugwerkende kracht omgezet in een gift, anders moet de studiebeurs volledig worden terugbetaald. Na vier jaar hebben studenten nog drie jaar recht op een studielening, die ze geheel moeten terug betalen. Eerstejaarsstudenten zijn verplicht de helft van de examens in het eerste jaar te halen, anders wordt hun beurs voor dat jaar omgezet in een lening. Vanaf september 1997 moet zeventig procent van de examens worden gehaald.

Nu krijgen studenten gedurende vijf jaar een 'tempobeurs'. Als ze niet jaarlijks de helft van de studiestof halen, wordt hun beurs omgezet in een lening. Bij de tempobeurs geldt geen verplichting voor het behalen van het diploma.

Vorig jaar juni werd het wetsvoorstel voor de prestatiebeurs met één stem verschil door de Eerste Kamer verworpen. De belangrijkste kritiek was toen dat Ritzen het voorstel overhaast wilde invoeren. CDA, GroenLinks en de kleine rechtse partijen stemden gisteren opnieuw tegen de prestatiebeurs.

Volgens GroenLinks moet er niet meer op het hoger onderwijs worden bezuinigd. P. Boorsma (CDA) vindt dat de prestatiebeurs de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar brengt. Studenten van ouders uit lagere- en middeninkomensgroepen worden volgens hem afgeschrikt te gaan studeren uit angst voor het risico een grote studieschuld op te lopen als de studie niet op tijd af komt. Ook woordvoerders van VVD, D66 en PvdA zeiden bang te zijn voor zulke 'leenaversie'. Ze stemden toch voor, omdat invoering van de prestatiebeurs in het regeerakkoord staat.

De Eerste Kamer stemde gisteren ook in met de verhoging van het collegegeld. Dat gaat dit jaar met 150 gulden omhoog naar 2.400 gulden, en daarna nog twee keer met 175 gulden. De hoogte van het collegegeld voor studenten die langer dan zes jaar studeren mogen universiteiten en hogescholen voortaan zelf vaststellen. Minister Ritzen (onderwijs) stelt wel een minimumbedrag vast, om te voorkomen dat universiteiten gaan 'stunten' met het collegegeld om meer studenten binnen te halen. Voor voltijdstudenten is dat minimum 2.400 gulden, voor deeltijdstudenten 1.250 gulden. Nu betalen voltijdstudenten die geen recht meer hebben op studiefinanciering 3.100 gulden, en deeltijdstudenten 1.700 gulden.