Reclamebureau Chirac

Als de partijen zich niet meer bepalen tot het uitwisselen van onvriendelijkheden maar zich ingraven is de ruzie in een nieuwe fase gekomen. Zover is het nu met het conflict tussen Frankrijk en Nederland over de drugs. Nadat de Franse senator Paul Masson vorige week Nederland een 'narco-staat' had genoemd, heeft de Franse regering sussend verklaard dat ze niet verantwoordelijk is voor wat een politicus zegt. Maar meteen daarna heeft Libération een artikel van president Chirac gepubliceerd, waarin hij uitlegt dat bestrijding van alle drugs een onderneming is die alleen succes kan hebben als alle Europse landen dezelfde wetgeving handhaven. “Eén land met lakse wetgeving is voldoende om onze inspanningen teniet te doen.” Iedereen weet wel welk land de president bedoelt. Zijn artikel gaat over veel meer dan de drugs. Het is een soort blauwdruk voor een voorbeeldig Europa waarin de Fransen niet de geringste rol zullen spelen.

In Nederland heeft voornamelijk de passage over drugs de aandacht getrokken, ook van premier Kok. Hij heeft laten weten, de heer Chirac “heel geëmotioneerd en niet evenwichtig” te vinden als het over de drugs gaat. Maar, zei hij, die opwinding is “voor binnenlands gebruik”. Ook voor binnenlands gebruik - vijf gram per keer - is onze 'nederwiet' per slot van rekening bedoeld. Binnenlands gebruik is een Europese zaak geworden. Dat komt onder andere doordat beide partijen de loopgraven hebben betrokken. De vraag is: hoe worden ze er weer uitgeholpen?

Veel (maar gelukkig niet alles) wijst erop dat Nederland zich in een positie heeft gemanoeuvreerd die de natie bekend is: ervan overtuigd dat we gelijk hebben staan we voor de vraag hoe we dit gelijk ook over de grens zullen krijgen. Om een historische vergelijking te maken: aan het einde van de jaren vijftig wilde Nederland de Papoea's in West Nieuw Guinea dat nu Irian Jaya heet, de zegen van het zelfbestuur brengen. Niet alleen minister Luns, ook de vooruitstrevenden van de natie vonden dat het volk der Papoea's niet aan de geleide democratie van president Soekarno mocht worden uitgeleverd.

Nobel zal het misschien zijn geweest, en de toenmalige regering heeft ook in de veronderstelling verkeerd dat ze voldoende machtsmiddelen en buitenlandse steun had om deze edelmoedigheid in daden om te zetten. Maar het buitenland wilde niet. Indonesië en Nederland hadden zich ingegraven. Het heeft de vrienden van beide landen grote moeite gekost om beide partijen ertoe te bewegen, deze in het bijzonder voor Nederland uitzichtloze stelling te verlaten.

Wat zijn de overeenkomsten met de drugs en wat zijn de verschillen? Binnenlandse overtuiging wordt buitenlandse politiek, maar in tegenstelling tot wat we denken, geen politiek waarin de tegenspelers de ingewikkelde finesse van het Nederlandse beleid willen begrijpen. Evenmin wordt het een Frans-Nederlandse bilaterale politiek.

Wij onderscheiden in ons drugsbeleid wel drie vraagstukken: dat van de zorg voor de verslaafden, dat van het verschil tussen soft en hard, en ten slotte - voor niet-Nederlanders nauwelijks te doorgronden - dat van het gedogen, de wetgeving en de openbare orde. Dit complex houden we voor het beste drugsbeleid ter wereld. Misschien hebben we gelijk. Maar andere landen vinden dat ze het met hun politiek ook bij het rechte eind hebben, zelfs al is het daar op een rampzalige mislukking uitgedraaid. Nancy Reagans Just say no, de oorlog tegen de drugs, het heeft de Amerikanen nog niet veel geholpen. En het zal ons niets helpen als we het buitenland op zijn mislukkingen wijzen.

Van het Nederlandse complex maakt alleen het 'gedogen' in het buitenland grote indruk. De politieke leiders in ieder buitenland zijn het daarover onderling meer met elkaar eens dan met Nederland: gedogen is slecht. Dit betekent dat Nederland de kleinst mogelijke minderheid vormt. Daaruit vloeit een vraag voort: is Nederland 'sterk' genoeg, heeft het voldoende tijd, kracht van argumenten om het minder verlichte buitenland van zijn gelijk te overtuigen? Hoe bereiken we niet alleen president Chirac maar ook de heren Kohl en Major en huns gelijken? Met geen macht ter wereld zal het ons lukken.

Op dit punt doet in Nederland de vaderlandsliefde haar intrede. Men zal zich hier niet overgeven. Eerst was alleen de kerk van de heilige wiet ervan overtuigd dat het buitenland moest worden bekeerd (zoals minister Luns dat indertijd ten behoeve van de Papoea's heeft geprobeerd); nu is verdediging van het hele beleidscomplex tot nationale zaak geworden.

Niet de ideële, idealistische of ideologische maar de praktische politieke vraag is, wat er na dit wederzijdse Frans-Nederlandse ingraven zal gaan gebeuren - niet wat voor Nederland wenselijk, maar wat voorspelbaar is. Op de aanstaande Europse top in Turijn zullen de Fransen op z'n minst gematigde bijval voor hun rigoreuze anti-drugs politiek krijgen. Het is uitgesloten dat Nederland 'door de knieën zal gaan'.

Als de heer Chirac het op een confrontatie laat aankomen (hij heeft de publieke voorbereidingen getroffen) zal deze moreel beladen, eenvoudig te begrijpen controverse veel publiciteit krijgen. Liefhebbers van cannabis in Europa die het nog niet wisten, zullen er aldus van op de hoogte worden gebracht dat Nederland de goedkope, vrije supermarkt voor softdrugs is. Terwijl Parijs en Den Haag zich verder ingraven, breekt er een zomer van hoogconjunctuur voor de nederwiet aan - een ontwikkeling die de verhoudingen niet zal doen bekoelen.

Van commercieel nederwiet-standpunt bezien hadden de Fransen geen beter reclame voor het Nederlandse product kunnen maken. Als dat hun bedoeling is geweest, als ze Nederland deze zomer met een invasie van Europse gebruikers willen opschepen, als ze de escalatie tot het breekpunt willen opvoeren, is dit een macchiavellisme dat je van een bondgenoot niet zou verwachten. Niet alleen een invoerverbod van nederwiet, ook een reisverbod voor Franse gebruikers zou de Europese vrede dienen.