Neoliberalisme waart als spook door de wereld

Herverdeling is uit, tweedeling is in. Het neoliberalisme predikt de vrijheid, maar resulteert in een permanente dwang tot aanpassing, aldus Thijs Wöltgens. Hij maakt zich boos over de onverschilligheid waarmee de nieuwe armoede wordt geaccepteerd en over het gemak waarmee de verzorgingsstaat wordt prijsgegeven.

Het neoliberalisme is een aards geloof met totalitaire ambities. Het verdoemt mensen tot een vrijheid, die door de meesten als dwang tot aanpassing wordt ervaren. De vrijheid om je tegen die aanpassing te verzetten wordt ontkend of onhoudbaar geacht of onmogelijk gemaakt. Het extreme individualisme van Hayek en Friedman ontkent de mogelijkheid om enig menselijk handelen buiten markt en ruil te plaatsen.

Extreem economisme vindt het onhoudbaar om je langdurig aan de standaard-kosten-batenafweging te onttrekken, zoals die door de concurrenten wordt gemaakt. Extreem globalisme, vrijhandel zonder mondiale overheid, maakt het overheden, die wel nog op democratische legitimatie mogen bogen, onmogelijk op den duur een eigen sociaal-economische ordening te handhaven.

Ik heb drie keer het woord 'extreem' gebruikt. Het moet dan voor velen geruststellend zijn dat zij zichzelf allerminst extreem in hun opvattingen achten. Sterker nog, de partijen van hun keuze zijn middenpartijen. De politieke leiders houden juist afstand tegenover politiek uitersten.

Maar het 'politieke midden' is een verraderlijk begrip. Het is een bewegend doel. In de jaren zeventig lag het politieke midden aanzienlijk veel linkser op de inhoudelijke links-rechts-schaal dan thans. Wat nu in de naam van het midden gebeurt is extreem rechts met de bril van toen. De permanente vergroting van de inkomensongelijkheid die in het laatste decennium is geaccepteerd, zou toen door iedere middenpartij zijn afgewezen.

Hadden wij dan in de jaren zeventig de verkeerde opvattingen? Op veel terreinen zal het ongetwijfeld het geval zijn, maar uitgerekend voor vergroting van de inkomensongelijkheid ontbreekt tot op de dag van vandaag ook maar enige empirisch onderbouwde rechtvaardiging.

Begin 1995 verscheen een studie van de Britse Joseph Rowntree Foundation, waaruit juist blijkt dat eventuele economische voordelen van vergroting van de ongelijkheid in het niet vallen tegenover de - ook in geld kwantificeerbare - maatschappelijke nadelen.

En in de internationale vergelijking is al helemaal geen argument te vinden om inkomensverschillen te vergroten. Ook door de objectieve bril bekeken is het huidige beleid extreem. Voor latere beschouwers zal het onbegrijpelijk blijven, dat wij welbewust afgestevend zijn op een situatie waarin wij 80.000 miljonairs in Nederland rijker hebben gemaakt ten koste van de terugkeer van zichtbare armoede voor honderdduizenden.

Achtergrond van deze ontwikkeling is de afkeer van collectieve afspraken en de ophemeling van de risicozoekende ondernemer. Iedereen moet ondernemer worden, succes of falen is een individuele aangelegenheid - beloning of schuld. De ondernemer is 'de nieuwe mens'. Ook hier zullen historici hun hoofd schudden. Hoe is het mogelijk dat de beschaafde wereld van de twintigste eeuw zich opnieuw laat verleiden tot een totalitair experiment om 'de nieuwe mens' tot stand te brengen.

Wij weten uit onze recente geschiedenis dat 'de nieuwe mens' altijd een tegenhanger heeft in die mensen die niet aan de maatstaven voldoen, in het ergste geval Untermenschen. In het neoliberale geval staan - aldus Brecht - tegenover de Unternehmer de Unternommenen, een achterblijvende onderklasse. Het achterblijven is een eigen risico, een vorm van falen.

De heroïsch klinkende nadruk op het ondernemersrisico als algemeen menselijk patroon verdeelt de wereld in winnaars en verliezers. Ook nu is nog in ruime mate de kans op winst of verlies bepaald door de plek waar je wieg stond. Toeval wordt verdienste, het recht om een onevenredig beslag te leggen op het maatschappelijk product. Pech is individueel falen, dat geen honorering mag opeisen.

Collectieve regelingen om de pechvogels aan een redelijk bestaan te helpen ondermijnen op twee manieren de dynamiek: de winnaars worden geremd in hun succes als zij de winst moeten delen, de verliezers worden minder geprikkeld in hun sisyfusarbeid. Zonder collectieve regelingen is er ten minste de helderheid van een zichtbare tweedeling, een gespleten samenleving.

De politieke vertaling daarvan zien wij in de Verenigde Staten, maar ook in toenemende mate in Europa: de verliezers beschouwen het politieke systeem niet meer als hun systeem. De formele democratie blijft bestaan, maar een grote groep ziet geen heil meer in daadwerkelijke participatie. In feite onstaat er aan 'apartheids'-democratie.

Natuurlijk wordt die ontwikkeling door velen betreurd. Maar zij hebben het gevoel met de rug tegen de muur te staan. Dwingt de wereldmarkt ons niet tot afbraak van collectieve regelingen teneinde concurrerend te blijven? Wie de cijfers voor zich laat spreken, ziet dat die veronderstelde globale marktafhankelijkheid voor Nederland, en nog meer voor heel Europa, zwaar overdreven wordt.

Er vindt zeker een verschuiving van productiecentra plaats, maar de Europese speelruimte is nog behoorlijk groot, zeker als een economisch programma à la Delors' witboek serieus zou worden aangepakt. Maar zo'n programma van grootscheepse overheidsinvesteringen gaat te zeer in tegen de heersende mode, die het wachten op private investeringen de voorrang geeft boven initiatieven van de overheid. Liever miljarden voor de buitengewoon onzekere effecten van lastenverlichting voor bedrijven dan voor overheidsprojecten.

Alle hoop wordt gericht op een impuls van buiten, van de wereldmarkt. De zelf opgelegde restricties - geen leningen door de Europese Unie, terugdringing van overheidstekorten en loonmatiging - maken onze conjunctuur bewust afhankelijk van de wereldmarkt. En daarmee creëren wij zelf de objectieve noodzaak van een aanpassingsbeleid.

Het gevoel van noodzaak, sense of urgency in de woorden van de captains of industry, wordt daarom zo luid verkondigd, omdat verondersteld wordt dat de aangesprokenen nog steeds lijden onder het 'valse bewustzijn': zij geloven kennelijk nog dat de gouden naoorlogse tijd van de verzorgingsstaat niet ten einde is. Het 'valse bewustzijn' is gebaseerd op een te optimistisch mensbeeld en een te optimistische kijk op de politiek.

Het mensbeeld van de naoorlogse jaren berustte op de gedachte dat mensen bereid waren hun individuele eigenbelang in te passen in een collectief vastgesteld algemeen belang. Politiek was erop gericht om het algemeen belang in de private afwegingen een rol te laten spelen.

Het nieuwe mensbeeld is cynischer en rechtvaardigt daarmee het individuele eigenbelang als belangrijkste drijfveer van menselijk handelen. Algemeen belang is een ouderwetse fictie.

Het naoorlogse beeld van politiek was een arena, waarin gevochten werd om de juiste invulling van dat algemeen belang. Ook hier is het nieuwe imago cynischer. Politici zoeken alleen het maximale electorale succes; politiek is een bron van modegevoelige instabiliteit.

Daarom moet de politiek teruggedrongen worden. Zoals Odysseus zichzelf vastbond aan de mast om de verleidingen van de sirenen te weerstaan, zo moeten politici gebonden worden aan normen (zoals de EMU-criteria, of begrotingsevenwicht, of maximale geldschepping, of normen van belasting- en premiedruk), die hun destabiliserende actieradius beperken. Hoe minder politiek, hoe beter. Maar ook, des te minder zinnig de gang naar de stembus.