Luisteraar publieke radio is 50-plusser

Wie luisteren er nog naar de radio in een tijd dat steeds meer tv-zenders de aandacht van de media-consument opeisen? Nu de terugval van de drie publieke tv-zenders even tot staan is gebracht, blijkt dat alle vijf de publieke landelijke radiozenders de gunst van de luisteraar grotendeels hebben verloren.

De afkalving begon bij Radio 1 en 2; Radio 4 (klassiek) en 5 (informatief allerlei) opereerden van meet af aan in de marge. Radio 3 verdedigde de afgelopen decennia het marktleiderschap met succes. Een recent onderzoek van Intomart, uitgevoerd door NOS, STER en IP, wijst echter uit dat ook dàt niet meer het geval is: het marktaandeel van Radio 3 viel vanaf begin dit jaar een procent lager (16,3) uit dan dat van de - in de jaren negentig overal in Nederland sterk in populariteit gegroeide - regionale radio-omroepen (17,2). Daarna volgen Sky Radio, Radio 1, Radio 10 Gold en Radio Noordzee.

De commerciële en regionale radio rukken op; er wordt niet méér, maar anders geluisterd. Met de komst van de commerciële televisie in 1989 volgden de alarmerende geluiden - vooral te horen in publieke omroepkringen - over de gevolgen voor de verdeling van de reclame-inkomsten en daarmee over de verscheidenheid van de Nederlandse televisie. Zelden wordt gesputterd over de kwijnende publieke radio, terwijl die nu dringend bijstand behoeft.

Schrikbarender nog zijn de resultaten van een onderzoek van Kijk en Luister Onderzoek (KLO) van de NOS naar de leeftijdsopbouw van de luisteraars naar de publieke radio. De gemiddelde leeftijd van de aanhang van de 'nieuws- en sportzender' Radio 1 is 56 jaar, die van Radio 2 50 jaar, van Radio 3 33 jaar, van Radio 4 58 jaar en die van Radio 5 maar liefst 61 jaar. De luisteraar van de publieke radio is een 50-plusser.

Dat men in Hilversum programma's blijkt te maken voor grijsaards was ook voor Klaas Samplonius, zendercoördinator van Radio 1, een verrassing. “Misschien moet je ervoor waken dat de zender niet te zwaar wordt”, verwoordde hij het Hilversumse dilemma in het omroeporgaan Spreekbuis, “maar van de andere kant is het een zender die door journalisten wordt gevuld. Je kunt er dus geen muziekzender van maken. Er is kennelijk een categorie jongvolwassen mensen die geen behoefte heeft aan een nieuws- en sportzender. Die worden ook wel ouder, maar hoe krijg ik ze dan zover dat ze straks naar Radio 1 overstappen?”

De hoop dat hij nog jongeren voor Radio 1 kan strikken, heeft de zendercoördinator blijkbaar opgegeven. Als alle zendercoördinatoren in Hilversum een dergelijk fatalisme uitdragen, betekent dat op termijn het doodvonnis voor de publieke radio: de groep die er over twintig jaar naar wil luisteren, is dan nog aanzienlijk uitgedund. Belangrijk voor de toekomstige luisteraars van informatieve zenders is, dat zij al op jeugdige leeftijd met deze programmasoort in aanraking komen. Maar waar enkele decennia geleden de radio, zowel thuis als op school, voor jongeren nog een overvloed aan programma's bood, is er nu - behalve de bijbelverhalen van EO en IKON - hoegenaamd niets.

Een uitzondering vormt sinds eind 1995 de dagelijkse tien minuten Pyjamapret van Teleac, elke werkdag te beluisteren tussen 6.50 en 7.00 uur op Radio 5. Te horen zijn liedjes, verhaaltjes, een klein hoorspel en luistertraining-spelletjes. De radiodirecteur van Teleac, Jan Boorsma, weigert te berusten in het gegeven dat kinderen uitsluitend zijn geïnteresseerd in de televisie, in kijken. Bovendien acht hij het leren luisteren voor de ontwikkeling van het kind buitengewoon belangrijk.

Radio, zo sprak Boorsma onlangs op het jeugd-en-media-congres 'Kleine berichten', kan een essentiële bijdrage leveren aan de cognitieve vorming in de voor- en vroegschoolse periode: “Allerlei aspecten van het geletterd maken van het kind worden gestimuleerd en vastgelegd.” Zo kan, volgens Boorsma, een generatie opgroeien voor wie de ervaring met de massamedia vanaf de wieg niet beperkt blijft “tot het kijken naar tekenfilms en soaps: de televisie als elektronische gouvernante”.

Pyjamapret is een onderhoudend en liefdevol gemaakt programma, maar legt het af tegen Kindernet, waarop tekenfilms worden afgewisseld met reclameblokken voor snoep- en speelgoed. Radio is, zo blijkt uit onderzoek, letterlijk op de achtergrond gedrongen. Er wordt door jongeren van het medium niet méér verwacht dan het verspreiden van muzikale klanken: “Zenders waar de zendtijd voor minder dan 70 procent uit muziek bestond”, luidt de conclusie in een KLO-rapport, behaalden bij de jongeren eind 1995 een gezamenlijk marktaandeel van slechts 7,5 procent. Bij de gemiddelde luisteraar bedroeg dit aandeel 32,6 procent.” De boodschap van jongeren aan de informatieve radiomakers is genadeloos: Praten doe je maar op de televisie.