Een school met den bijbel

Een voormalige eerste klas van een lagere school heeft een reünie gehouden. Er is een zelfvervaardigd boek uit voortgekomen; gevuld met foto's en herinneringen, per leerling zowel als collectief. De klas is zojuist pensioengerechtigd geworden: allen zijn van de jaargang die in of omstreeks 1930 het levenslicht zag. Ze hebben tussen 1935/1936 en 1941/1942 bij elkaar in de klas gezeten, en les gehad van dezelfde juffen en meesters. Ze waren vijftien aan het eind van de oorlog, die ze zich dus levendig kunnen herinneren.

De reünisten zijn vijftien jaar ouder dan ik. Wat in termen van schoolbevolkingen reusachtig veel is. Maar wat we gemeenschappelijk hebben, is de plaats van handeling. Want het gaat hier om de ook door mij enige jaren bezochte School met den Bijbel, in het Noordhollandse dorp waar ik vandaan kom. Het boek zou me niet onder ogen gekomen zijn als niet mijn vader een van de onderwijzers was geweest van de reüniegangers.

Zelfs mijn moeder had in het boek kunnen voorkomen, al was het maar kort. Want tot 1937, het jaar waarin ze trouwde, was ze als onderwijzeres verbonden aan dezelfde school. Van een onderwijzersechtpaar verloor het vrouwelijk deel destijds automatisch de baan zodra het tweetal huwde. Zo was dat toen wettelijk geregeld, voor lieden die nu tweeverdieners zouden zijn geworden. Dus nu is mijn moeder de slechts in mijn ogen opvallend onzichtbare verloofde en echtgenote van een van de onderwijzers die de herinneringen bevolken van de vergrijsde klas.

Het boek heeft me getroffen als groepsportret van een generatie die me even vreemd is als vertrouwd. Uit het boek rijst een lang voor de oorlog tot stand gekomen wereld op, die zowel de oorlog zelf als de naoorlogse jaren tot op zekere hoogte zonder kleerscheuren en in goed vertrouwen op de zuilsgewijs aangehangen waarden doorstaan heeft, om pas in de jaren zestig en zeventig wat geïsoleerder te raken - tenminste, zo zie ik het. Misschien denken de betrokkenen daar zelf heel anders over.

Op deze dorpsschool zaten bijna alleen kinderen die al vrij snel de handen uit de mouwen zouden gaan steken. De meeste meisjes gingen naar de Huishoudschool, de meeste jongens naar de Ambachtsschool, en een doodenkele van de beste leerlingen mocht naar het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs, ofwel de MULO. De een is timmerman geworden, de ander hulp in de huishouding, weer een ander beroepsmilitair of verpleegster. Een paar zijn er geëmigreerd, danwel geëmigreerd geweest en later weer teruggekomen naar Nederland.

In dit vervlogen tijdperk waarin iemands onderwijskansen in heel korte tijd benut moesten worden, had het hoofd der school (en hadden ook de meesters en de juffen) gezag, aanzien, en grote invloed. Zij brachten niet alleen lezen en rekenen bij, maar ook en misschien allereerst de vreze des Heren. Soms spanden zij zich bovendien in hun vrije tijd in om de kinderen liefde voor bijvoorbeeld de natuur bij te brengen. Een enkele keer gebeurde het ook wel dat een onderwijzer persoonlijk in de bres sprong om een leerling financieel in staat te stellen tot het volgen van voortgezet onderwijs.

Op telkens een aparte bladzij wordt per reünist vermeld hoe het haar of hem in het latere leven vergaan is, relationeel, maatschappelijk, kerkelijk. Tweederde is getrouwd en ook - op slechts één uitzondering na - getrouwd gebleven. Het aantal kinderen, en dat der kleinkinderen, wordt met trots vermeld, evenals de beoefende hobby's. Het is opmerkelijk hoe veel van deze oudleerlingen van de School met de Bijbel in, zoals dat heet, het kerkewerk zitten, en in ander vrijwilligerswerk.

Het boek, waaruit voor mij uiteraard vele echo's opklinken, al was het maar door allerlei mij nog bekend in de oren klinkende achternamen, bevatte ook een paar verrassingen. Onder het onderwijzend personeel - de ene juf en de drie meesters die men achtereenvolgens gehad had - was er één die er in de bij elkaar opgetelde herinneringen uitsprong als een man met, zacht gezegd, eigenaardige gewoonten.

Bij herhaling gaat het over tot bloedens toe omgedraaide oren, of - in het geval van de meisjes - om de eigenaardige verplichting hetzij 's meesters nagels te vijlen hetzij de handpalm zacht te kriebelen. Tot mijn grote genoegen ziet een van de oudleerlingen nog voor zich hoe zijn vader naar de onderwijzer in kwestie beent en dreigt, als-ie het nog een keer waagt, hem 'aan zijn oren uit de school te trekken'.

Deze zelfde onderwijzer achtte het zijn taak om een jongen die op zondag een ijsje had gekregen van een oom - welk bericht des maandags door volijverige getuigen-klasgenoten aan de onderwijzer werd overgebracht - te straffen door de ijseter een half uur in de hoek te laten staan.

Dit laatste brengt me dan onherroepelijk op het uitgesproken christelijke karakter van het genoten onderwijs. Kennelijk heeft men elkaar bij de reünie ook op dat punt stevig ondervraagd, want het aspect keert in het stramien van bijna elk interview terug: hoe heeft de school bijgedragen aan de totstandkoming danwel versteviging van jouw geloofsbeleving? Ik meen dat ik het hier zo ontendentieus als ik maar kan geparafraseerd heb.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken toen ik las dat een van de oudleerlingen, wanneer de zon scheen, als vanzelf een paar regels te binnen schoten, namelijk deze:

Het ruime hemelrond Vertelt met blijden mond God's eer en heerlijkheid.

Het was een lied, zo vertelde zij erbij, dat één meester altijd liet zingen op zonnige dagen.

Voor zover ik weet ben ik al heel lang niet meer van de partij, als het om dit soort dingen gaat. Maar ik kon er niet onderuit toch een beetje trots te zijn op iets wat ik nu toch graag zou willen zien als een wapenfeit van mijn vader - die de meester in kwestie geweest is. Namelijk dat deze op zichzelf schitterende fusie van christendom en mooi weer tot stand is gebracht, in haar herinnering, door hem.