Echt toverland

Isaac Bashevis Singer, Kinderverhalen. Vert. Bartho Krie. Uitg. De Arbeiderspers, 237 blz., ƒ 35,00.

De geesten Mazzel en Slamazzel, Abraham en Sara, de aandoenlijk verstrooide professor Schlemiel of gewoon een klein jongetje; de personages in de Kinderverhalen van Isaac Bashevis Singer zijn divers, net als de locaties. Het verhaal kan zich afspelen in een klein Pools dorpje, in Brooklyn in New York, in een toverwoud of in het gebombardeerde Warschau tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Er staan sprookjes in deze mooi uitgegeven verzamelbundel, parabels en ik-verhalen die een sterk autobiografisch karakter lijken te hebben. Zoals het kleine verhaal over een jongen die de weg kwijt is en tegen een behulpzame voorbijganger zomaar liegt dat hij een wees is. En kluchten, over het dwazendorp Chelm, waar de dorpsraad uit de meest onnozele lieden bestaat. Als een rijkaard bij hen onsterfelijkheid aan komt schaffen, adviseren zij hem zijn intrek te nemen in de armste wijk van Chelm: uit het overlijdensregister blijkt immers dat daar nog nooit een rijke is gestorven. Weer andere verhalen staan vol lyrische natuurbeschrijvingen: 'De dennebomen waren recht als zuilen en op hun bruinachtige bast hingen gouden halskettingen: zonlicht dat door de dennenaalden scheen.' Hoe afwisselend Singers kinderverhalen ook mogen zijn, de sfeer is altijd hetzelfde: vol warmte en humor, maar ook vol spanning. Het goede strijdt tegen het kwade en dat loopt, als Singer voor kinderen schrijft, geruststellend goed af.

Op tweeënzestigjarige leeftijd begon de Nobelprijswinnaar, na lang aandringen van zijn uitgever, met het schrijven van deze verhalen. 'Vroeger dacht ik nooit voor kinderen te kunnen schrijven. Ten onrechte ging ik altijd van de veronderstelling uit dat zij die voor kinderen schrijven geen echte schrijvers zijn, en zij die boeken illustreren geen echte kunstenaars', verklaart hij in de 'Aantekening van de schrijver' die aan de verhalen voorafgaat.

Uit het nawoord onder de titel 'Zijn kinderen de ware literaire critici?' blijkt de omvang van zijn bekering. Het is een pleidooi voor de onbezoedelde smaak van jonge lezers, die ongehinderd door grote namen en autoriteiten kiezen voor 'een echt verhaal, met een begin, een midden en een eind.' Kinderen zouden feilloos doorzien of de opbouw van een verhaal klopt, en of de schrijver wel gepassioneerd en oprecht is.

Naast hun voorkeur voor helderheid neigen kinderen volgens Singer van nature tot mystiek. Het een sluit het ander niet uit: ook een verhaal vol niet bestaande wezens kan logisch zijn en 'echt'. Zijn opvattingen doen denken aan Annie M.G. Schmidt die vond dat een kinderverhaal 'waar moest zijn, en nergens gelogen', al kwamen er nog zoveel elfjes, heksen en kabouters in voor.

In zijn kinderverhalen wilde Singer, die in 1991 overleed, zijn wortels bloot leggen door te schrijven over 'joodse kinderen, joodse wijzen, joodse dwazen, joodse bruidegoms, joodse bruiden'. De beschreven gebeurtenissen 'vonden niet plaats in een soort niemandsland maar in stadjes en dorpjes waar ik ben opgegroeid en die ik goed heb gekend'.

Maar ook voor alle niet-joodse lezers vanaf een jaar of tien zijn deze kinderverhalen begrijpelijk en invoelbaar, al zullen sommige nuances hen ontgaan. Dat het koken van een bokje in zijn moeders melk iemand tot een slecht mens maakt, of dat een man die zijn baard knipt en een vrouw die geen pruik draagt moderne mensen zijn, is gelukkig uit de context op te maken. En ook als je nog nooit Chanoeka hebt gevierd, een feest dat steeds terugkeert in deze verhalen als een nacht waarin wonderen kunnen gebeuren, zie je de glanzende kandelaar en het spel met de dreidel, een tolletje waarmee kinderen om centen spelen, voor je. Bovendien herinneren de meeste volwassenen zich dat ze als kind verhalen lazen die ze niet helemaal begrepen, maar die toch veel indruk maakten, juist omdat de verbeelding vrij spel had.

Singers verteltrant sleept de lezer mee, dwars door elk onbegrip heen. Hij schrijft zo beeldend dat ook het gebrek aan illustraties in deze verzamelde verhalen niet deert. Het is alsof er een opa zit te vertellen bij de open haard: de verhalen staan vol zinnen als 'Frampol. Zo heette het dorp', en 'Nou komt het.' Slechts af en toe vergaloppeert Singer zich, door te verwijzen naar Spinoza, Hamsun en Strindberg, of door aan het eind van een verhaal op te merken: 'Ook de niet-joden moesten erkennen dat God de joden niet in de steek had gelaten'. In deze gevallen biedt de verklarende woordenlijst achterin geen uitkomst.