Beurstransacties van Nusse Brink; Witwassen blijkt lastig te bewijzen

ROTTERDAM, 27 MAART. Bijna tweeënhalf jaar nadat de curator in het faillissement van het effectenkantoor Nusse Brink aangifte deed van verduistering en bedrieglijke bankbreuk brengt het openbaar ministerie twee van de drie directeuren voor de rechter. De belangrijkste verdenking - witwassen van drugsgeld door directeur R. Nusse - kan justitie echter niet hard maken.

De bestrijding van witwassen (money laundering) heeft de laatste jaren een hoge prioriteit van politie en justitie. De financiële sector - van bank tot verzekeraar en van assurantie-tussenpersoon tot wisselkantoor - is wettelijk verplicht daarin met de overheid samen te werken

De Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) verplicht financiële dienstverleners sinds begin 1994 ongebruikelijke transacties aan een meldpunt door te spelen. De Wet Identificatie bij Financiële Dienstverlening (WIF), die een jaar eerder in werking trad, verplicht instellingen de identiteit van een cliënt vast te stellen voordat zij een financiële dienst verlenen. Nieuwe wetgeving is geïntroduceerd om criminelen hun winsten te ontnemen en sinds begin vorig jaar zijn strenge voorwaarden verbonden aan de vestiging van wisselkantoren. Tenslotte is de strafwetgeving op het gebied van heling sinds begin 1992 aangepast.

De nieuwe wet- en regelgeving moet de integriteit van het Nederlandse financiële stelsel waarborgen en eist dat financiële instanties een bijdrage leveren aan de bestrijding van deze vorm van zware criminaliteit. Op hun beurt willen de financiële instellingen, de banken voorop, wel eens weten welke resultaten geboekt worden door de inspanningen van hun werknemers.

In 1994, het eerste jaar van de MOT, hebben financiële instellingen 23.000 transacties gemeld, waarvan volgens het jaarverslag van het meldpunt slechts zeven afkomstig waren van de effectenhandel. In het deelonderzoek fraude en witwassen dat de wetenschappers H. van de Bunt en H. Nelen voor de commissie-Van Traa hebben gedaan, wordt de effectenhandel desondanks “op het eerste gezicht een ideale wasserette” voor misdaadgeld genoemd. “De aard en cultuur van het effectenbedrijf brengen een aantal voor de witwasser belangrijke voordelen met zich mee”, zo schrijven zij. Bij de effectenhandel “staat discretie (d.i. ondoorzichtige eigendomsverhoudingen) hoog in het vaandel, het is gebruikelijk in hoge geldbedragen te handelen en effecten zijn gemakkelijke verplaats- en verhandelbare waardepapieren”.

Eind oktober 1994 lekte uit dat een werkgroep van politie en justitieambtenaren (fieccom) een onderzoek had gedaan naar mogelijke infiltratie door criminele organisaties in de effectenhandel. Dat heeft volgens Bunt en Nelen “nog niet tot concrete opsporingsresultaten geleid”.

In de zaak Nusse Brink blijkt de vrees van deskundigen bewaarheid dat het witwassen van criminele gelden bijzonder moeilijk valt te bewijzen. Justitie weigerde gisteren commentaar op de vraag, waarom het openbaar ministerie geen vervolging instelt wegens witwassen. Deze beschuldiging was, ondanks de sterke vermoedens van justitie, formeel zelfs geen onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek.

Centraal in de witwaspraktijken waarvan Nusse Brink werd verdacht stonden speculatieve transacties op de Amsterdamse effectenbeurs. De winstgevende transacties werden als legale koerswinst toegeschreven aan de criminele cliënten van Nusse Brink, de verliesgevende transacties werden naar een geheime rekening afgeboekt. Daarmee werd het justitie volgens deskundigen bijzonder moeilijk gemaakt. De schriftelijk vastgelegde transacties leveren immers geen bewijs van witwassen.

De directie van Nusse Brink had vervolgd kunnen worden wegens heling. Het openbaar ministerie had daarvoor echter moeten bewijzen, dat geld dat directeur Nusse van zijn cliënten in ontvangst nam afkomstig was uit de misdaad en dat hij dit bovendien redelijkerwijs had moeten vermoeden. Dit was extra lastig omdat een belangrijke cliënt van Nusse Brink, die mogelijk als getuige had kunnen worden opgevoerd, is vermoord.