'Als onze leider ayatollah Khamenei ons roept, marcheren wij Baseeji's'; Aan revolutionairen geen gebrek in Iran

TEHERAN, 27 MAART. Boven de ingang van het voormalige Hiltonhotel in het noorden van de Iraanse hoofdstad Teheran prijkt een reusachtig opschrift: 'Allah, Allah, bescherm de beweging van Khomeiny, tot aan de heropstanding van de Mahdi, de verborgen imam.'' Het opschrift gaf uitdrukking aan het zelfvertrouwen uit de hoogdagen van de Islamitische Revolutie, het hoorde bij de uitdagende sfeer van toen - het Hilton werd in 1979 wat provocerend omgedoopt tot Hotel Esteghlal, Hotel Onafhankelijkheid. Maar nu lijkt datzelfde opschrift veeleer op een bezwering, het klinkt als een bede om Allahs bescherming tegen een opkomend onheil.

Deze dagen blijft het voor de veiligheid bij heel wat officiële gebouwen niet bij bezwerende opschriften. Voor het parlementsgebouw bij voorbeeld, de Majlis al-Shoura, in het hart van de stad, staan tientallen gewapende soldaten opgesteld, in groene gevechtskledij gehulde revolutionaire wachters, Pasdaran. Naast hen, vlakbij de ingang, zwaaien twee jonge vrouwen in zwarte chador met zware oorlogswapens. Zij zijn Baseeji's, vrijwilligers van de revolutie. Ze stralen fanatisme en agressie uit, met hun G3-machinepistolen, hun houterige bewegingen en rode hoofdbanden met 'Allahu Akbar', God is groot, in witte letters op het voorhoofd.

Het Iraanse regime kampt met groeiende legitimeringsproblemen, maar er is aan fanatieke revolutionairen vooralsnog zeker geen gebrek. En dezen, georganiseerd in de Baseej, kunnen het binnen het repressieapparaat de komende tijd nog erg druk krijgen. Het regime weet niet echt raad met de economische crisis, en het gemor over de moeilijke levensomstandigheden zwelt aan.

De afgelopen twee jaar hebben de Iraanse autoriteiten de Baseej ingezet om met geweld een einde te maken aan rellen en protestdemonstraties tegen de slechte economische situatie in steden als Qazvin, Islamshahr en Akbar Abad. Het leger en de Pasdaran weigerden toen het vuur te openen op de burgerbevolking. De Pasdaran - de Revolutionaire Garde die na de Revolutie werd opgericht als tegenwicht voor het leger - bestaat inmiddels net als het Iraanse leger uit dienstplichtigen die voor twee jaar worden opgeroepen en uit beroepsmilitairen. Het revolutionaire vuur is daarbij wat getemperd. De Baseeji's hebben daarom de rol van beschermers van 'orde en veiligheid' toebedeeld gekregen, alsook viermaal zoveel middelen op de begroting. De basissterkte is opgetrokken tot 300.000 man. Volgens Jane's Intelligence Review kan de Baseej in geval van nood een miljoen man op de been brengen.

“Ik wens dat God u veel vrouwen schenkt”, zegt Ali tot de mullah in de Avi-moskee in het zuiden van de hoofdstad. “Ja, dat hoop ik ook”, antwoordt de mullah vanonder zijn witte tulband en het lijkt alsof het sarcasme in Ali's woorden hem volledig ontgaat. Hij heeft een gouden bril op en ook zijn mantel is goudkleurig. Ali zit even later in de auto wat te lachen: “Dat is nu een van die corrupte mullahs. Ze zijn alleen geschikt om geld in hun zakken te stoppen.”

Ali is 34 en ex-Baseej. Aan het front tegen Irak kreeg hij 42 granaatscherven in zijn lichaam en verloor hij een nier. Hij werd gewond in Mehran, een dorp op de grens met Irak. “Samen met 3.000 jongens werd ik als vrijwilliger getraind in Khoram Abad, een klein dorp in het zuiden van het land. We werden ingedeeld in groepen van 30 à 40 man en ingezet aan het front.

“In het begin van de oorlog (1980-'88) zond het leger ezels en paarden de mijnenvelden in, maar toen de ezels waren opgebruikt werden ook wij, de Baseeji's, daarvoor gebruikt. Ik werd ingedeeld bij een antitankeenheid. Dronken Iraakse soldaten gooiden handgranaten bij vastgebonden krijgsgevangenen in het hemd. Wij deden hetzelfde met gevangen Irakezen”,aldus Ali. “De Baseeji's vergeten zichzelf. Het zijn jongeren die zeer toegewijd zijn aan de Revolutie en de islam. Ze zijn jong en hebben geen verantwoordelijkheid, geen gezin en vaak ook geen familieleden meer. Ze doen alles wat de anderen hun opdragen, zonder vragen te stellen.”

Vanuit de Avi-moskee trekken de Baseeji's die avond de stad in om kraampjes op te zetten voor een massale inzamelingsactie voor de de mustazafeen, het snel aangroeiende lompenproletariaat. De meeste Baseeji's komen zelf ook uit de kansarme laag van de bevolking. In de revolutionaire leuzen van wijlen Opperste leider imam Khomeiny vormen zij een bevoorrechte sociale groep, maar na zeventien jaar revolutie is er aan hun positie bitter weinig verbeterd.

“We stonden klaar tijdens de oorlog en ook nu staan we klaar. Als het nodig is gaan we opnieuw onder de wapens, maar nu werken we vooral aan de wederopbouw”, zegt Mohsen Arabshar. Hij is 24. Mohsen heeft de leiding over een tiental jongere Baseeji's van de Avi-moskee. “Als onze leider ayatollah Khamenei ons roept, marcheren wij.”

De Baseeji's zijn in twee groepen ingedeeld: de jongeren van 10 tot 17 jaar, die vooral actief zijn in het sociale en culturele werk, en de volwassenen, vanaf 17, die worden ingezet voor militair, wetenschappelijk en ideologisch werk. Er zijn nogal wat dokters als Baseeji's actief in de gezondheidszorg.

“In het weekeinde en op feestdagen gaan we de straat op om toe te zien op de naleving van de islamitische gedragsregels”, zegt Mohsen. “Wij vallen binnen op feestjes waar alcohol wordt gedronken of mannen en vrouwen samen zijn en we arresteren vrouwen die geen hejab, hoofddoek, dragen of die make-up gebruiken.”

De mullah vertelt dat de moskee de basis van de organisatie vormt. “Baseej betekent letterlijk: zij die samen komen, een groep vormen, recruten. De moskeeën zenden de geschikte vrijwilligers naar regionale trainingscentra, waar zij een militaire opleiding volgen. In het Makdad-centrum aan het Jomhuria-plein bij voorbeeld, waar recruten hier elke dag van 7 tot 2 uur gevechtstraining krijgen van dienstplichtige militairen.

Twintig kilometer ten zuiden van Teheran kom je in een grote vlakte. Hier en daar wordt een poging ondernomen om door aanplantingen de erosie wat tegen te gaan. Het gaat om een gigantisch industrieterrein waarin her en der ambachtelijke baksteenovens en lemen dorpen verspreid liggen. Zo gauw er wat regen valt, verandert het hier in een ongelooflijke modderpoel. De verkeerschaos is dan al vlug niet meer te overzien en de nutsvoorzieningen, of wat daarvoor moet doorgaan, laten het totaal afweten.

Dit is Akbar Ahad, vlakbij Islamshahr. Begrijpelijk dat de armen die hier wonen en door de Islamitische Revolutie weer wat hoop hadden gekregen, op een gegeven moment aan het muiten slaan als er opnieuw modder uit de kraan druppelt in plaats van schoon drinkwater en de brandstofprijzen maar blijven klimmen.

“In april 1995 ging ik een brood kopen voor mijn gezin”, begint Hamid. Hij is 30 en verkoopt al jaren hamburgers in Akbar Abad. “Toen zag ik hoe een massa mensen oog in oog stond met een brigade Baseeji's. Ze droegen zandkleurige camouflagepakken. Ze richtten hun machinepistolen op de massa en riepen de mensen toe dat de betoging afgelopen moest zijn.” “Toen klom de bevelhebber op het dak van een voertuig om de menigte toe te spreken, maar hij kreeg daar de kans niet toe. De betogers vielen aan en gooiden het voertuig om. Maar de volgende dag kwamen de Baseeji's terug. Ze richtten een bloedbad aan. Overal lagen doden en gewonden”, aldus Hamid. “Mijn buurman stierf daar op straat, voor ik iets kon ondernemen.”

“Wat de rol is van de Baseeji's? Jullie journalisten leven toch veel te sterk in het verleden”, verzucht een functionaris van het ministerie van Cultuur en Islamitische Leiding. “De Baseeji's zijn niet langer wat ze geweest zijn, weet je. Nu beschermen ze onze bevolking.”