Schooltjes tegen de armoede

Terwijl de regering van Bangladesh al een paar jaar is verlamd door een uitzichtloze vete tussen de regering en de oppositie, doen non-gouvernementele organisaties als BRAC en de Grameen Bank hun best het vacuum op te vullen dat de regering laat bestaan.

PALPARA, 26 MAART. In een ruime met jute en palmbladeren bedekte bamboehut zitten 33 kinderen van een jaar of negen op de grond met voor zich enkele boekjes, een lei, een griffel, een sponsje en een pen. Juf Parul Nasima zet een vrolijk lied in over een goede bosfee, en stralend vallen de 23 meisjes en tien jongens in.

Hoewel de lessen maar drie uur per dag duren en het schooltje in Palpara, ruim 100 kilometer ten noorden van de hoofdstad Dhaka, naar Westerse begrippen primitief aandoet, is het voor het dorp een monumentale stap vooruit. Vroeger gingen de meeste kinderen helemaal niet naar school. Hun straatarme ouders, vooral ongeletterde en landloze boeren, vonden dat ze de arbeid van hun kinderen niet konden missen.

De lessen op de dichtst bijzijnde staatsschool kostten te veel tijd en zo bleven veel kinderen volledig van onderwijs verstoken. Totdat het Comité voor de Ontwikkeling van het Platteland van Bangladesh (BRAC) ten tonele verscheen en in overleg met de ouders een schooltje opzette, dat op tijden die de ouders zelf hadden uitgezocht enkele uren per dag onderwijs gaf. Zo konden de ouders op de steun van hun kinderen bij het werk op het land blijven rekenen en leerden de kinderen er toch wat bij.

Over de voortzetting van de in het Westen gehekelde kinderarbeid deed BRAC niet kinderachtig. De organisatie is zich er van bewust dat de meeste ouders zo arm zijn dat ze het inderdaad niet zonder de bijdrage van hun kinderen kunnen stellen, hoe gering die ook mag zijn. Kinderarbeid kan niet met een pennestreek worden afgeschaft in een land, waar bijna de helft van de mensen nog beneden het absolute bestaansminimum leeft en met minder dan twee volledige maaltijden per dag toe moet.

Intussen verandert het schooltje, dat behalve de moedertaal Bengaals, wat rekenen en enkele sociale vaardigheden geeft, het perspectief van de kinderen op de wereld aanzienlijk. De negenjarige Nasima Begum, een vrolijk meisje in een oranje jurkje dat heel goed kan rekenen, heeft andere toekomstplannen dan haar moeder, die altijd op het land heeft gewerkt. “Ik wil later onderwijzeres worden in net zo'n school als deze”, verklaart ze vastberaden.

In totaal drijft BRAC, dat in 1972 werd opgericht door Fazle Hasan Abed, zo'n 36.000 plattelandsschooltjes in alle hoeken van Bangladesh. De organisatie, die meer dan 15.000 werknemers telt, beperkt zich niet tot het onderwijs voor de armen. Ook houdt BRAC zich bezig met gezondheidszorg, met veterinaire en landbouwkundige adviezen en met kredietverlening.

Net als de Grameen Bank is BRAC bereid de allerarmsten, die bij commerciële banken nooit aan bod zouden komen, leningen te geven van soms maar honderd gulden, mits ze met een project voor de dag komen dat is goedgekeurd door de andere leden van BRAC in het dorp. Die andere leden, verenigd in een dorpsorganisatie, stellen zich zelf ook garant voor de terugbetaling van de lening. In de praktijk betaalt zo ruim 98 procent van de debiteuren netjes hun lening terug.

Zowel de Grameen Bank als BRAC richten zich vooral op de Bengaalse vrouwen en meisjes, die in het conservatieve islamitische Bangladesh doorgaans nauwelijks ontplooiingsmogelijkheden hadden. De ervaring van beide organisaties is dat programma's voor vrouwen de maatschappij meer opleveren dan die voor mannen. De vrouwen laten hun kinderen en hun omgeving meer delen in hun verbeteringen dan mannen, die een beetje verdiend geld al snel aan een radio besteden of verdrinken. Zo'n 70 procent van de leerlingen op BRAC-schooltjes zijn meisjes. Op de staatsscholen daarentegen zitten meer jongens.

Op een zanderig pleintje tussen wat lemen hutjes, die met enkele bananenpalmen het dorpje Baulia vormen, houden zo'n dertig BRAC-vrouwen hun wekelijkse bijeenkomst. Lopende en nieuwe projecten worden besproken. Een paar kinderen met veel te dikke buikjes wegens te eenzijdige voeding hollen in de buurt van hun vergaderende moeders rond.

Een van de vrouwen is de ongeveer veertigjarige Firoza Khatun (ze weet haar leeftijd niet precies, zoals velen op het platteland). Verlegen lachend achter haar lichtgele sluier verhaalt ze over de ingrijpende veranderingen in haar leven. Vroeger werkte ze losvast voor een habbekrats op andermans velden. Zij en haar man hadden toen geen eigen huis en woonden bij haar broer in.

Dank zij een leninkje van BRAC kon ze echter een paar jaar geleden wat ongepelde rijst kopen, en daarmee begon haar bescheiden maar niet minder indrukwekkende loopbaan als entrepreneur. Ze pelde de rijst en verkocht die met een beetje winst op de markt. Zonder veel moeite slaagde ze er in haar lening met vijftien procent rente terug te betalen en nog wat over te houden.

Nu is ze al aan haar vierde BRAC-lening toe, ditmaal voor 5000 taka (zo'n 200 gulden), en heeft ze het tot enige welvaart gebracht. Het gezin heeft een eigen lemen hut en bezit zelfs een paar koeien en een paar kalveren. De melk verkoopt Firoza gedeeltelijk op de markt. “Ik verdien nu meer dan mijn man”, verklaart ze niet zonder trots.

De meeste mannen slaan de ontplooiing van hun vrouwen met gemengde gevoelens gade. Ze zijn blij met de extra inkomsten maar willen wel eens mokken over de aantasting van hun eigen dominante positie. Dankbaar wakkeren conservatieve islamitische dorpsgeestelijken dat laatste aan. In menig dorp is het dan ook al tot aanvaringen gekomen. Toch wordt in de praktijk de klok maar zelden teruggezet.

De vrouwen van Baulia sluiten hun bijeenkomst gewoontegetrouw af met een samenzang over hun goede voornemens. Als psalmen in een kerk galmen hun geloftes tussen de palmen: wij zullen strijden tegen corruptie, wij zullen onze gezinnen klein houden, wij zullen geen polygamie dulden. Wij zullen geen kindermishandeling toestaan en onszelf en onze kinderen schoonhouden. Wij zullen elkaar helpen en nooit een document ondertekenen waarvan we de betekenis niet kennen.

Tot dusverre hebben buitenlandse donoren het grootste deel van de begroting van BRAC voor hun rekening genomen. De Nederlandse regering en NOVIB alleen al zijn samen goed voor ruim een kwart van de uitgaven van de organisatie. Toch hoopt BRAC-oprichter en directeur Abed, een gewezen manager van Shell, dat zijn organisatie op den duur beduidend meer op eigen benen zal kunnen staan.

“Het plattelandsprogramma van BRAC ontvangt nog buitenlandse steun tot het jaar 2000”, zegt Abed in zijn sobere kantoor in Dhaka. “Daarna zullen we zelfvoorzienend zijn. We hebben een omvangrijk kredietprogramma waarop we rente ontvangen en met die rente en de servicekosten voor dienstverlening aan de armen zullen we onszelf kunnen bedruipen. Dat geldt niet voor het onderwijs, waar we geen inkomsten hebben. Hiervoor zal de steun van buitenlandse donoren of de regering van Bangladesh onontbeerlijk blijven.”