Nederland moet het hebben van wisselende coalities

Hoe revolutionair is onze huidige buitenlandse politiek? De traditionele zwaartepunten (Atlantisch primaat, een supranationaal Europa en streven naar internationale rechtsorde) hebben de herijking doorstaan. Ook het voornemen onze economische belangen meer in het beleid te integreren kan moeilijk als 'paars radicalisme' worden bestempeld. Toch lijkt er sprake van een historische ommekeer. Voor het eerst sinds koning Willem I kiest de regering voor een veel grotere continentale gerichtheid: meer aandacht voor Midden- en Oost-Europa en een intensivering van betrekkingen met buurlanden, vooral met Bonn en Parijs. Als deze nieuwe oriëntaties consequent zouden worden doorgezet kunnen ze leiden tot een radicale breuk met de kern van onze naoorlogse buitenlandse politiek: het onder sterke Atlantische rugdekking tegengaan van Frans/Duitse dominantie. Bepaald baanbrekend uit historisch oogpunt is ook dat onze militairen overal ter wereld gewapenderhand kunnen gaan optreden in conflicten waar Nederland part noch deel aan heeft.

Decennia lang lag ons hart in Londen, vulden we onze maag in Brussel en lieten we onze oren hangen naar Washington. Nu moeten we van ons verstand het hele continent op, nu en dan ongerust omkijkend richting Atlantische Oceaan.

Ook het uitsturen van militaire eenheden op vredesmissie heeft duidelijk te lijden onder gebrek aan traditie en ervaring. Om al deze redenen valt het niet te voorspellen op welke termijn de koerswijziging vruchten zal afwerpen.

De vraag is overigens gerechtvaardigd in hoeverre de handhaving van de oude zwaartepunten een effectief nieuw beleid in de weg staat. Allereerst het Atlantisch primaat. De Amerikaanse betrokkenheid bij Europa is hoe dan ook veel minder vanzelfsprekend geworden. De toekomst van de NAVO is onzeker. Oud-topdiplomaat Postumus Meyes concludeert dan ook in één van de interessante herijkingsstudies van de WRR, dat we onze Atlantische prioriteit zouden moeten loslaten, omdat Nederland anders achter de feiten aanloopt en geïsoleerd dreigt te raken. Het vertrouwde 'Atlantisch primaat' heeft niet meer de relevantie van het Koude-Oorlog-tijdperk. Niettemin blijft het in ons belang de Amerikanen nog zoveel mogelijk bij ons continent betrokken te houden.

Ten tweede: Europese integratie op communautaire grondslag. Het zal steeds moeilijker worden vast te houden aan ons streven naar een supranationaal eenheidsmodel. Hoe breder Europa, hoe lastiger het te verdiepen naar traditionaal vaderlands recept. De WRR vreest zelfs dat ongewijzigd beleid in de veranderde omstandigheden zal leiden tot een irrelevante, ineffectieve, ja zelfs contraproductieve opstelling.

Het zou echter onverstandig zijn als we in het licht van de uitbreiding van de EU ons federale streven plotseling zouden opgeven. Natuurlijk moeten we scherper dan voorheen onder ogen zien dat elke sector zijn eigen integratietempo kent. Maar verdieping in communautaire zin zou uiteindelijk wel eens de enige manier kunnen blijken om een brede EU bestuurbaar te houden.

Ten derde: bevordering van de internationale rechtsorde. Dit begrip wordt terecht gehandhaafd om het belang te onderstrepen dat Nederland hecht aan mensenrechten, vredesmissies en ontwikkelingssamenwerking. Het “explicieter opkomen” (herijkingsnota) voor onze economische belangen zal moeten worden ingepast in ons mensenrechtenbeleid. Vooral in Azië is dit geen geringe opgave.

Nieuwe vrienden koesteren zonder de oude te kort te doen is ook in de diplomatie geen gemakkelijke opgave. Bij het verleggen van accenten moeten we daarom uiterst voorzichtig manoeuvreren. Dit klemt des te meer, omdat het einde van het Oost-West-conflict het begin betekende van de verzwakking van de positie van Nederland. We worden een steeds kleiner deel van een groter Europees geheel. Waar het nu bovenal om gaat is: hoe kan ons land zich in de nieuwe situatie het best staande houden?

Er zijn verschillende strategische keuzen denkbaar, maar elke keuze heeft een keerzijde. Gezien de onzekere ontwikkelingen in Europa en onze zeer bescheiden machtspositie zouden we voorlopig “de kat uit de boom kunnen kijken”. Heldring heeft zich hiervan in deze krant een voorstander betoond.

Zo'n passieve houding is echter te on-Nederlands om enige kans van slagen te hebben. Sterk aangemoedigd door de Tweede Kamer zal elke regering haar internationale partijtje mee willen blazen. Wel moeten we af van onze chronische neiging meer te willen dan we kunnen. Als we niet uitkijken blijven we prioriteiten, aandachtsgebieden en beleidsintensiveringen opstapelen, terwijl onze invloed verder afneemt.

Een veel gehoorde suggestie is dat Nederland zich in de EU als aanvoerder van de kleine landen zou moeten opwerpen. Het is hoogst twijfelachtig of zo'n genereus aanbod onzerzijds op de warme instemming van de betrokkenen kan rekenen. De tegenstellingen in Brussel lopen bij vrijwel geen enkel onderwerp langs lijnen van groot en klein. Bovendien is voor ons juist de relatie met het machtige Duitsland cruciaal. Tegelijkertijd moeten we ervoor oppassen te veel van één land afhankelijk te worden.

Aansluiting bij een kopgroep dan? Voor velen een aantrekkelijke gedachte, maar is zij reëel? Onvermijdelijk zal zo'n groep verschillend van samenstelling moeten zijn, al naar gelang het onderwerp. Ook als het Verenigd Koninkrijk zich niet aansluit bij de EMU, kunnen we op het gebied van buitenlands- en veiligheidsbeleid niet om dit land heen. Daarnaast is het zeer onwaarschijnlijk dat de niet uitverkoren partners een stuurgroep met een permanente status zullen tolereren.

Bovendien getuigt een benoeming van onszelf in de elite van Europa van lichte nationale zelfoverschatting. Vooralsnog wekt de Franse president Chirac niet de indruk te trappelen van ongeduld om Nederland bij de politieke leiding van de EU te betrekken. Ook staat het nog allerminst vast dat Nederland binnen zo'n groep altijd meer bereikt dan daarbuiten. Als Frankrijk en Duitsland het eens zijn valt er door ons weinig invloed meer uit te oefenen. Voorzover zij geen akkoord bereiken is er helemaal geen kopgroepbeleid, maar zijn er twee verschillende standpunten, die al dan niet met de Nederlandse voorkeur overeenkomen. Het beste wat ons land daarom kan doen is Bonn en Parijs afzonderlijk trachten te beïnvloeden, zoveel mogelijk met steun van andere landen.

Benelux-samenwerking ligt hierbij voor de hand. Dankzij Van Mierlo en Kok heeft dit overleg een succesvolle politieke impuls gekregen. Met name bij de komende Intergouvernementele Conferentie kunnen de drie landen gezamenlijk meer gewicht in de schaal leggen dan ieder afzonderlijk. Maar ook deze strategische optie heeft een schaduwzijde. Bijna onvermijdelijk moeten we concessies doen aan twee (kleinere) buurlanden die in breder EU-verband achterwege hadden kunnen blijven.

Alle genoemde strategische opties ten spijt moet de conclusie zijn dat we niet ontkomen aan ad-hoc coalitievorming. Onverlet onze bijzondere banden met bepaalde landen moeten we voor elk dossier afzonderlijk steun zien te verwerven.

Dit betekent dat er vooral geïnvesteerd zal moeten worden in een breed scala van bilaterale relaties. Zo'n pragmatische aanpak is nodig om de revolutionaire verandering in onze buitenlandse politiek door te kunnen voeren.