Nederland hoopt op een 'zwaan kleef aan'

Morgen vergadert de Tweede Kamer plenair over de Nederlandse opstelling op de Intergouvernementale Conferentie (IGC), die vrijdag in Turijn begint. Op de IGC wordt de herziening van het verdrag van Maastricht besproken.

DEN HAAG, 26 MAART. Is Europa een beetje de prullenbak van de nationale onmacht betreffende werkloosheid en veiligheid? Schiet Europa zichtbaar tekort op het terrein van fraudebestrijding, voert het ineffeciënt beleid en is er sprake van ondoorzichtig bestuur, zoals minister Van Mierlo onlangs in het debat over Europa in de Eerste Kamer opperde? Of kan Nederland dit keer bij de IGC met een bescheiden inzet - de handen ineen met België en Luxemburg - toch een soort 'zwaan kleef aan'-gevoel losmaken?

Vooral de kleinere lidstaten moeten dan actief met de Benelux meedoen om het werk in de Europese Unie te versoepelen. Daarbij moeten verdieping en slagkracht vóór uitbreiding komen, maar worden toekomstige lidstaten niet afgeschrikt. Op die manier, zo verwacht Buitenlandse Zaken, kan de herziening van het verdrag van Maastricht volgend jaar juni onder Nederlands voorzitterschap in Amsterdam succesvol worden afgerond.

Het huidige beeld van Europa, zo moest Van Mierlo in datzelfde debat in de senaat toegeven, is er een van stagnatie en onvermogen. “Nieuw is dat wij tegelijkertijd meer schelden op Europa, tegelijkertijd meer verwachten van Europa en tegelijkertijd minder bereid zijn om er nationale middelen voor ter beschikking te stellen”, aldus Van Mierlo. Sinds kort betaalt Nederland meer aan de Europese Unie dan er terugvloeit. In 2000 is ons land zelfs de grootste nettobetaler per hoofd van de bevoking.

Op Buitenlandse Zaken heeft men een lange aanloop naar de IGC genomen. De Nederlandse regering publiceerde vier nota's over de toekomst van Europa en Van Mierlo herhaalt bij voortduring dat die vertaalde brochures in het buitenland gretig aftrek vinden. Het ging daarbij niet direct om een Nederlands standpunt, maar eerder “om elkaar op te voeden naar een effectiever niveau van discussiëren”, zoals Van Mierlo zegt. Maar ondanks die mooi gekafte boekjes bleef een werkelijk debat in Nederland tot nu toe uit.

Vorige week waren er wat omtrekkende bewegingen. VVD-leider Bolkestein verweet de regering dat er “aan de voorbereiding van de IGC weer te veel hobbyïsme te pas komt”. Eurocommissaris Van den Broek was van mening dat het kabinet “keuzes in Europa” ontloopt. “Ik constateer dat in Nederland, zoals in vele andere Europese landen, het heilige vuur van destijds achter de Europese samenwerking is verflauwd. De aandacht voor binnenlandse problemen voert de boventoon”, zei hij.

Buitenlandse Zaken wilde dit keer het rampzalige diplomatieke lot van 30 september 1991 ('black monday') voorkomen. Toen veegden alle lidstaten op België na het Nederlandse voorstel voor het verdrag van Maastricht van tafel. Ondanks waarschuwingen zette de Nederlandse regering in september haar plannen in alle eenzaamheid door. Het document ademde volgens Brusselse diplomaten te veel een Nederlands hobbyïsme en zou federalistisch zijn.

Maar bestudering van de voorstellen van Nederland en Luxemburg, dat eerder een ontwerp voor 'Maastricht' had ingediend, bracht wetenschappers als S. Roozemond (onderzoeker van het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael) en drs. M. van Hulten in zijn doctoraal scriptie tot de conclusie dat de Nederlandse tekst juist minder federalistisch was dan de Luxemburgse. Hobbyïsme was echter wel aanwezig en het document van wat een neutrale voorzitter behoorde te zijn gaf ook een inkijkje in het verdeelde ministerie van Buitenlandse Zaken, waar Atlantici tegenover Europeanen staan.

Dit keer is in het memorandum van België, Luxemburg en Nederland gekozen voor een sterke communautaire benadering met een grote rol voor Commissie, Parlement en Hof. Slagvaardigheid vereist dat de ministers van de Europese Unie vaker met gedeeltelijke consensus of met een gekwalificeerde meerderheid beslissen als unanimiteit niet haalbaar is. Nu komt de EU tot wetgeving na 22 procedures. Dat aantal zou moeten worden teruggebracht naar drie. Achterhaalde teksten zouden uit de huidige verdragen moeten worden geschrapt.

Het 'opschonen' van de Europese Unie moet meteen na de bijeenkomst in Turijn beginnen. Maar diplomaten die straks de verschillende voorstellen tot één document moeten maken, vrezen dat de Italianen alleen het werk van de commisie-Westendorp (een commissie van persoonlijke vertegenwoordigers van de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU) nog eens dunnetjes overdoen. In Den Haag is men van mening dat men niet niet vroeg genoeg aan het echte onderhandelen over teksten kan beginnen. Van Mierlo: “Ik heb het Italiaanse voorzitterschap met klem voorgehouden dat als we beginnen wij wel allemaal aan dezelfde IGC beginnen. Het is een mix. Wij richten ons op de uitbreiding, maar dus ook op de veredeling van de situatie waarin we nu verkeren.”

In juni nemen de Ieren het voorzitterschap van de Europese Unie over van de Italianen. Nederland wil graag nauw worden betrokken bij de inspanningen van Ierland, maar tot nu toe maakt Dublin niet de indruk daar direct klaar voor te staan. In de komende maanden zullen premier Kok en Van Mierlo zich inspannen om met de Ierse regering tot een vergelijk te komen over de gezamenlijke inspanningen voor nieuwe verdragsteksten. Met name op het terrein van een gezamenlijke buitenlandse en veiligheidspolitiek lopen de standpunten tussen Dublin en Den Haag vrij ver uiteen. Nederland rekent op steun van Portugal, Finland, Oostenrijk en mogelijk Griekenland voor onderdelen van het Benelux-memorandum van 7 maart. In Zweden is het Euro-enthousiamse sterk afgenomen. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Kinkel, verklaarde vorige week in Delft dat het Benelux-document goede bouwstenen bevatte en dat Bonn zich daar ruim in kon vinden.

Op de weg naar de afsluiting van de IGC onderkennen diplomaten in Den Haag drie gevaren. Ten eerste de herijking op het departement. Daarbij wordt met grote aantallen bureaus gesjouwd en worden afdelingen opgeheven, samengevoegd of geherstructureerd. Zal die operatie straks het werk voor het voorzitterschap van de Unie niet nadelig beïnvloeden? Van Mierlo heeft eind december zijn diplomaten verzekerd dat als er zich problemen voordoen, het voorzitterschap voorrang heeft. Maar hij heeft hun vrees voor verwarring tot nu toe niet weggenomen.

Ten tweede is er de onzekere politieke situatie in het Verenigd Koninkrijk. Daar worden op zijn laatst in mei 1997 verkiezingen gehouden. Veel zal afhangen van de opstelling van het Verenigd Koninkrijk en de vrees bestaat dat late verkiezingen voor het afsluiten van de IGC nadelig zijn. Het derde gevaar is, volgens een nauw bij de IGC betrokken diplomaat, “een steeds sterkere tendens dat de grote lidstaten zelf willen uitmaken wat er in Brussel gebeurt. Het vormen van gelegenheidscoalities, afruil en verliescompensaties zullen bij een dictaat van de grote steeds moeilijker worden. 'Zwaan kleef aan' van de kleintjes is dan wel mooi, maar werkt niet”.