Het Aziatische vooruitgangsgeloof taant

In Azië neemt het geloof in de vooruitgang af. De problemen van Japan leiden bij omringende landen tot twijfel omtrent de eigen superioriteit. Heeft Europa meer ervaring in het omgaan met crisissituaties? Het Verre Oosten wil de dialoog met het Westen.

In Bangkok, de metropool van Thailand, vond begin deze maand een gebeurtenis van wereldpolitiek formaat plaats: de eerste topontmoeting tussen staats- en regeringsleiders van de vijftien lidstaten van de Europese Unie en van tien Oost-Aziatische staten - China, Japan, Korea en de zeven Zuid-Oost-Aziatische ASEAN-landen.

De EU is na een langdurige politieke 'incubatietijd' tot het besef gekomen dat Azië inmiddels een wereldmacht is, waarmee in de toekomst in strategisch opzicht rekening dient te worden gehouden. De Oostaziatische deelnemers lijken meer en complexere motieven te hebben. “Wie wint de slag om de Aziatische waarden?”, zo vroeg de Aziatische editie van de Wall Street Journal op 27 oktober 1995 en gaf aan de hand van een beeld uit de bokswereld meteen het antwoord: “Niemand! Geen van de partijen kon de beslissende klap toebrengen.”

Men is bedachtzamer geworden of op z'n minst vermoeid. Zelfs Tommy Koh, als speciale ambassadeur van Singapore een belangrijk woordvoerder voor Azië - in 1993 verkondigde hij het morele verval van het Westen - gaf bij het naderen van de top in Bangkok blijk van een opvallend radicaal geestelijk-politiek standpunt: “Oost en West dienen wederzijds respect te tonen en de bereidheid van elkaar te leren en de beste dingen van elkaar over te nemen.”

Staatssecretaris Mahbubani van buitenlandse Zaken van Singapore, de tweede grote verdediger van de 'Aziatische orde', bezocht begin dit jaar Westeuropese hoofdsteden met een opmerkelijke boodschap: Het gaat er in de toekomst vooral om de verschillen tussen Oost en West naar de achtergrond te schuiven, de overeenkomsten te beklemtonen en met begrip voor elkaars verschillende historische ontwikkeling te proberen de dringende wereldwijde vraagstukken op te lossen.Vier onderwerpen stonden tijdens de top in Bangkok centraal. Allereerst de “verbreding van het inzicht in de Aziatische culturen, om het potentieel van Europa in Azië te verbeteren”. Ten tweede de aanzet tot een “ontwikkelde politieke dialoog, om de wereldwijde veiligheid te bevorderen”. Ten derde wilde men nieuwe wegen ontdekkken om de “toenadering tussen onze economieën te bespoedigen”. Ondanks het feit dat de economische betrekkingen van de EU met Azië de handel tussen Europa en Amerika de laatste jaren overtroffen hebben, “kan het Europese bedrijfsleven nog meer bereiken”. Ten vierde moeten beide partijen elkaar regelmatig van de “sociale ontwikkelingen in de betreffende maatschappij” op de hoogte houden. Dit klinkt vrijblijvend, maar lijkt in laatste instantie niets anders te zijn dan de geclausuleerde roep om het oude wereldbeschouwingsdebat.

Het opnemen van wereldbeschouwelijke en maatschappelijke vraagstukken in het programma van de top gebeurde niet uitsluitend op aandringen van Europese kant. Ook in Oost-Azië staan verschillende regeringen onder kritische druk van de publieke opinie. De Aziatische 'ordefalanx' toont tekenen van verval. Terwijl premier Mahathir van Maleisië andere regeringen in december 1995 nog opriep, “de Europeanen voor eens en altijd duidelijk te maken dat men genoeg gehoord heeft over democratie, mensenrechten en tropische wouden”, distantieerde zijn plaatsvervanger Anwar Ibrahim, voormalig leider van de islamitische jeugdliga van Maleisië, zich van “heersende elites met despotische denkwijzen”. Het is voor hem “een schande dat de Aziatische waarden als excuus gebruikt worden voor autocratische praktijken en de weigering, fundamentele rechten te erkennen”. In de toekomst zal “deze discussie, geworteld in Aziatische tradities, gevoerd worden door een nieuwe generatie hoopvolle en zelfbewuste Aziaten, ...die zich geheel voor de universaliteit van de democratische waarden heeft ingezet”. Los van afzonderlijke uitlatingen en gebeurtenissen, blijft de vraag naar het waarom van de 'nieuwe bedachtzaamheid' in Oost-Azië. De tien Aziatische deelnemers aan de meeting in Bangkok zijn precies dezelfde als die van het informele Oost-Aziatische Economiecongres (East Asia Economic Caucus, EAEC). De EAEC-landen zien zichzelf als de economische elite van het continent. Zij worden eigenlijk bedoeld, wanneer er sprake is van de grote Aziatische dynamiek en de vorming van een nieuw derde centrum van de wereldeconomie. De EAEC is in toenemende mate de rol gaan vervullen van een informeel forum voor het afstemmen van gezamenlijke belangen tegenover de beide andere centra, Noord-Amerika en Europa. Daarbij maakt het EAEC het zoeken naar een “afgrensbare identiteit” in psychologisch opzicht eenvoudiger. Een tweede lezing van de afkorting EAEC luidt dan ook: 'East Asia Except Caucasians', ofwel Oost-Azië zonder blanken. Deze afgrenzing betreft echter ook delen van Azië die nog niet bewezen hebben economisch volwassen te zijn.

Van het bestaan van EAEC hebben veel Oost-Aziaten hogere toekomstverwachtingen dan van de Interpacifische Organisatie voor Economische Samenwerking (APEC). Op de laatste APEC-top in het Japanse Osaka waren de tegengestelde visies tussen de 'blanke landen', met name de Verenigde Staten, en de Aziatische landen slechts moeizaam te overbruggen. De Verenigde Staten, maar ook Australië en Nieuw-Zeeland eisten zo snel mogelijk concrete afspraken met betrekking tot de vrijhandel. Vanwege de behoefte aan duidelijkheid werd dit in Azië de 'Cartesiaanse aanpak' genoemd. De EAEC-regeringen pleiten echter niet voor Descartes, maar voor 'consensus'. Ze gaan uit van gezamenlijke verklaringen, waarbij ieder afzonderlijk de snelheid en de mate van liberalisering kan bepalen, mits men zich aan de hoofdlijnen houdt. Dus geen pacifische vrijhandelszone, maar open regionalisme.

Voor de Aziaten horen de Europeanen ook bij het open regionalisme. Het waren de Amerikanen die de aanwezigheid van de EU bij APEC-topconferenties geblokkeerd zouden hebben. Een EAEC/EU-top leek daarom een logisch alternatief. De derde, Europees-Oost-Aziatische 'hoek' van de driehoek van de wereldeconomie dient net zo krachtig te worden ontwikkeld als de beide andere hoeken. Dit zal nieuwe perspectieven openen voor iedereen. De strategie is duidelijk. Het blijft echter de vraag waarom men nu pas voor deze weg gekozen heeft? Waarom beklemtonen de Oost-Aziaten niet langer met voldoening dat Europa aan zijn eigen verleden ten onder gaat? De reden is eenvoudig: de angst breidt zich uit dat het draagvlak van de eigen ontwikkelingsdynamiek niet in alle gevallen sterk genoeg zal blijken.

In de herfst van 1994 publiceerde Paul Krugman, een Amerikaanse econoom en begaafd polemist, een opzienbarend artikel over de 'mythe van het Aziatische wonder'. Hij stelde daarin dat de Oostaziatische economieën, met uitzondering van Japan, over het algemeen een gebrek aan efficiëntie vertoonden, dat op korte of lange termijn de ontwikkeling ernstig zou vertragen. Deze stelling raakte in Azië een gevoelige snaar. Sindsdien lijkt het erop dat in het oosten een conjunctuur heerst voor 'mythendoders'.

Nieuwste sterfgeval: 'De mythe van de komende Aziatische eeuw'. In de 'rouwadvertentie' van de Asian Wall Street Journal van 26 oktober 1995 stond onder andere: “Het idee dat de 21e eeuw een Aziatische eeuw zal zijn, is één van de merkwaardigste fantasieën voor het westerse voorstellingsvermogen...Het leven aan de top is hard, Japan is het eerste Aziatische land dat deze grens bereikt heeft en het resultaat was een groei van bijna nul in de laatste jaren”. Tegenwoordig leest men in Oostaziatische kranten steeds vaker koppen als 'Twijfel aan de economische toekomst', 'Dempers van groeioptimisme', 'Azië aangewezen op financiële samenwerking' of 'Waarom zien de Aziaten er zo gespannen uit?'

Tekenen van spanning die verklaarbaar zijn. Het grote economische voorbeeld Japan is aangetast en lijkt zich niet te herstellen. Sinds januari 1994 stroomt meer Japans geld Oost-Azië uit, dan er nieuw geïnvesteerd wordt en het stroomt voornamelijk naar het Westen. Kapitaal uit andere Oostaziatische landen gaat veelal dezelfde weg. Het Oosten is eenvoudigweg nergens zo lucratief als de westerse centra, zo bevestigde onlangs Joseph Yam, leider van de monetaire inspectie van Hongkong. De bezorgdheid heeft echter diepere oorzaken. Voor kritische waarnemers wordt het steeds duidelijker dat de regionale produktiekracht aanzienlijk sneller stijgt dan het regionale vermogen de produkten te consumeren. Een te langzame stijging van de koopkracht is de keerzijde van het produceren tegen lage kosten. Ondanks een statistisch voorspelde groei van de interregionale handel, beseft men in toenemende mate hoezeer de eigen welvaart van de grote westerse markten afhankelijk is. Dit is het werkelijke uitgangspunt voor de 'nieuwe ontdekking van Europa'.

Twee jaar geleden was Azië nog het zogenoemde continent van het vooruitgangsoptimisme. Het was een argeloos optimisme. Gangbare thesen, zoals 'Waar de mensheid van droomt, kan door technologie worden verwezenlijkt', stuiten tegenwoordig ook in Oost-Azië op scepsis. Het vertrouwen in de economische groei als oplossing voor de grote maatschappelijke problemen neemt af, zelfs wanneer de economische dynamiek nog enkele decennia zou standhouden, wat niet uitgesloten is.

Dit geldt met name voor de bestrijding van armoede en werkloosheid. In Oost-Azië zijn volgens Europese maatstaven 300 tot 350 miljoen werklozen. Het aantal werkzoekenden zal in de komende vijftien jaar met nog eens 300 miljoen toenemen. Hoe zal het de andere Oostaziatische landen, met China voorop, in de toekomst vergaan, als zelfs het grote voorbeeld Japan niet langer aan de onophoudelijke dwang van de wereldwijde produktiviteitsgroei kan ontkomen en volgens de waarschuwingen van Japanse deskundigen op weg is een 'grootmacht van werkloosheid' te worden? Bedachtzame opinieleiders betwijfelen inmiddels of de sociale en economische problemen van West-Europa daadwerkelijk het gevolg zijn van westerse decadentieverschijnselen (trefwoord: eurosclerose) of toch eerder structurele problemen van wereldwijde aard, waarmee ook Oost-Azië in de toekomst te maken zal krijgen.

Dit soort twijfels vormt de laatste oorzaak voor de recente Europese gerichtheid van veel Oost-Aziaten. In het geval dat groei, gekoppeld aan een dalend aantal mensen met een baan geen specifiek Europees probleem, maar een wereldwijd fenomeen zou zijn, beschikt Europa inmiddels over een 'ervaringsvoorsprong'. Europa zal dan ook oplossingen voor deze nieuwe situatie kunnen aandragen. In dit opzicht zal de 'Aziatische eeuw' inderdaad nog even op zich laten wachten.