'Chinezen geloven oprecht dat Taiwan hun toebehoort'; Nationalisme, opium voor het volk

Eensluidende meningen zijn weliswaar geen zeldzaamheid in China, maar over weinig onderwerpen zijn de Chinezen het zo eens als over Taiwan. Taiwan is van China omdat het cultureel en historisch is verbonden met het vasteland, daaraan twijfelt niemand.

PEKING, 26 MAART. Elke morgen hijsen Chinese militairen op ceremoniële wijze de vlag op het Plein van de Hemelse Vrede. En elke dag komen er duizenden mensen naar kijken. De vlaggeplechtigheid is een van de vele, recent doorgevoerde maatregelen die het 'Chinees-zijn' van de bevolking moeten versterken. Op het Plein staat ook een klok die de seconden aftelt tot de formele soevereiniteitsoverdracht van Hongkong aan China in 1997, terwijl Chinese kinderen voortaan elke ochtend op school het volkslied moeten zingen.

China kent al sinds begin jaren tachtig geen planeconomie meer, maar op politiek terrein heeft de communistische partij het land stevig in haar greep gehouden. Om deze contradictie recht te breien en eventuele onrust onder de bevolking tegen te gaan, verlaat de regering zich in toenemende mate op het aanwakkeren van nationalistische gevoelens. De presidentsverkiezingen in Taiwan van afgelopen zaterdag werden aangegrepen om het eenheidsideaal onder de bevolking weer eens flink te stimuleren. Taiwan is van China omdat het cultureel en historisch is verbonden met het vasteland, was de officiële boodschap en die is goed overgekomen. Eensluidende meningen zijn geen zeldzaamheid in de gecontroleerde maatschappij die China is, maar er bestaan maar weinig onderwerpen waarover de beeldvorming van de Chinese man in de straat zo eenduidig lijkt als die over Taiwan: Taiwan is van China, punt uit.

De grootschalige oefeningen die het Volksbevrijdingsleger heeft gehouden in de Straat van Taiwan, om de Taiwanese kiezers te intimideren, worden door alle Chinezen gebillijkt. Bij sommigen klinkt de echo van de propaganda duidelijk door: de militaire manoeuvres van de laatste weken waren alleen gericht tegen de Taiwanese president Lee Teng-hui en niet tegen de Taiwanese bevolking. Want de Taiwanese bevolking, zo zullen zij verklaren, is het slachtoffer geworden van het “vuile complot” van president Lee, die onder het voorwendsel van democratie probeert zijn “verraderlijke plannen”, die gericht zijn op “de afsplitsing van Taiwan van het moederland”, te verwezenlijken.

Ook over de verkiezingsuitslag in Taiwan - Lee won met ruime meerderheid - lijkt weinig verdeeldheid te bestaan onder de Chinezen. Het oordeel van een verkoopster in een boekenwinkel is representatief: “Wat de uitslag is, doet er niet toe, die is toch tot stand gekomen door omkoperij en corruptie.”

De eensluidendheid onder de bevolking is het ogenschijnlijke resultaat van een goed gevoerde propagandacampagne. Maar volgens een politicoloog, verbonden aan de Chinese academie voor sociale wetenschappen (CASS), een denktank van de regering, is dat niet het geval. “Het is één van de vele vooroordelen die in het Westen bestaan. Chinezen geloven zeer oprecht, met hart en ziel, dat Taiwan tot het vasteland behoort. Dat heeft niets met propaganda te maken. Het is hun vurigste wens dat de bevolking van Taiwan weer één wordt met het moederland.”

Maar ook de politicoloog schermt met nationalistische retoriek. Evenals de Chinese media regelmatig hebben gedaan, grijpt hij diep in het verleden om aan te tonen dat Taiwan wel degelijk een deel is van China en dat de laatste honderd jaar, waarin Taiwan respectievelijk werd bezet door Japan en vanaf 1949 werd geregeerd door de van het vasteland gevluchte nationalistische regering, beschouwt dient te worden als “een korte onderbreking van hetgeen Taiwan altijd is geweest: een deel van China”. De politicoloog vertelt dat Taiwan vanaf het moment dat China werd herenigd onder de eerste Qin keizer, in de tweede eeuw voor Christus, al onderdeel was van het Chinese rijk. “Dat is kennis waarover iedere Chinees beschikt en dat verklaart waarom alle Chinezen hetzelfde denken als het over Taiwan gaat.”

Maar bij navraag op straat blijkt dat de meeste mensen grote moeite hebben hun oordeel over Taiwan goed te onderbouwen. Iedereen zegt weliswaar hetzelfde te denken over de status van Taiwan, maar van enige historische kennis is vrijwel geen sprake. Bij een 'China heeft een lange geschiedenis van meer dan vijfduizend jaar' moet het meestal blijven en naar de details kan beter niet worden gevraagd.

In tegenstelling tot hetgeen de politicoloog van de CASS zegt, wil Guo Qijia, hoogleraar onderwijsgeschiedenis aan de onderwijsuniversiteit in Peking wel toegeven dat aan het kennisniveau van vooral jonge Chinezen “het een en ander schort.” “De jonge generatie is veel te materialistisch, ze hebben geen spiritueel, moralistisch of sociaal besef.” Volgens Guo is een grote groep jonge Chinezen de banden met het verleden, in de relatieve chaos waarin China verkeert na zeventien jaar open deur-politiek, kwijtgeraakt.

Guo, die tevens vice-secretaris-generaal is van het Chinese genootschap voor confucianisme, pleit om die reden voor de herinvoering van het confucianisme in het onderwijs. “Confucius leert mensen respect te hebben, voor elkaar, maar vooral ook voor het vaderland, want daar moet nog wel wat bijgeschoold worden.”

Die mening is waarschijnlijk ook de Chinese overheid toegedaan. Na de bloedig neergeslagen studentendemonstraties op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 en de ineenstorting van het communistime in Oost-Europa heeft de Chinese regering zich vastgeklampt aan een nieuw soort nationalisme dat de afbrokkeling van de ideologische machtsbasis een tegenwicht moet bieden.

In de jaren negentig heeft de Chinese regering tal van maatregelen genomen om het nationaal bewustzijn onder de Chinese bevolking nieuw leven in te blazen want, aldus een buitenlandse diplomaat in Peking, “nationalisme is het middel om het land bijeen te houden tijdens de snelle overgangsfase waarin China momenteel is verwikkeld”.

Volgens de diplomaat wordt het nationalisme in China gevoed door een toename van trots aan de ene kant en onzekerheid aan de andere kant. “De economische vooruitgang heeft het gevoel van eigenwaarde in China versterkt. Veel Chinezen zijn van mening dat zij hun positie in de wereldgemeenschap, die hen vele jaren lang door met name de Westerse mogendheden is ontnomen, kunnen heroveren. Dat is niets nieuws. Oude beschavingen die lange tijd zijn vernederd door het Westen staan steeds vaker op het punt om pas verworven economische en militaire macht te gebruiken om het geleden gezichtsverlies terug te winnen.”

“Het nationalisme heeft zijn vruchten afgeworpen in China”, zegt de politicoloog van de CASS. “Sleutelwoord daarbij is de Chinese geest. De bevolking in Taiwan en het vasteland staat als één man, één 'spirit', tegenover de problemen waarmee we momenteel te maken hebben, daarom zullen we de overwinning uiteindelijk bereiken, al kost dat nog vele jaren.”

De Westerse diplomaat is het daar niet mee eens: “Nationalisme wordt gevoed door de Chinese regering. Peking tracht het bij de bevolking aannemelijk te maken dat China van vele kanten wordt bedreigd”. Op die manier is het volgens de diplomaat eenvoudig voor Peking om kritiek op de mensenrechten te veroordelen als een poging van het Westen China te verzwakken. “Nationalisme is niets anders dan opium voor het volk. Het maakt mensen a-politiek.”