ACP-landen sceptischer over verdrag met EU

Slechts enkele maanden na een tussentijdse herziening van een groot pact voor handel en ontwikkelingshulp met de EU bekijken de arme landen hoe de speciale band in de 21ste eeuw voortgezet kan worden.

Onder het verdrag van Lomé genieten 70 Afrikaanse, Caribische en Pacifische landen (ACP) - voornamelijk voormalige Franse en Britse kolonies - een voorkeursbehandeling bij export naar de EU-markt, en ze krijgen 4 miljard dollar aan jaarlijkse ontwikkelingsgelden tussen 1995 en 2000.

Het verdrag, genoemd naar de hoofdstad van het Westafrikaanse Togo waar het in 1975 is ondertekend, werd gelanceerd als model voor economische samenwerking. Maar het wordt nu in toenemende mate gezien als een overblijfsel van het koloniale verleden. De ACP-landen, met 550 miljoen inwoners, waaronder Suriname, Soedan en de Salomon-eilanden, klagen dat de handelsprivileges zijn aangetast door de opeenvolgende ronden van het GATT-overleg.

Economische recessie en een stijgende werkloosheid hebben de EU-lidstaten minder scheutig gemaakt met het vergroten van hun financiële steun, terwijl berichten over verspilling en slecht beheer (van de gelden) aanhouden.

ACP-staten krijgen ook groeiende concurrentie voor de EU-hulp van voormalige communistische landen in Oost-Europa, en van de arme Aziatische en Latijnsamerikaanse landen. “De inspanningen van de EU lijken primair gericht op een mondiale orde waarin kwetsbare partners, zoals de ACP-landen, op zijn best genegeerd worden of zelfs gemarginaliseerd”, zegt Clifford Mamba, voorzitter van het comité van ambassadeurs van de ACP-landen.

ACP-landen zijn ontstemd dat hoewel het verdrag van Lomé gesloten werd om de handel te bevorderen, hun aandeel op de lucratieve EU-markt gedaald is van negen procent in 1970 tot drie procent nu.

“De balans van de samenwerking tussen ACP en de EU in de handel stelt teleur”, aldus Mamba, die EU-ambassadeur is van Swaziland tegen Europese commissaris voor de externe handelsbetrekkingen sir Leon Brittan tijdens een recent bezoek aan het hoofdkwartier van de ACP-landen in Brussel.

ACP-landen zijn wat de exportinkomsten betreft voor 70 procent afhankelijk van cacao, koffie en andere grondstoffen. Maar de grondstoffenmarkten zijn berucht om hun wispelturigheid en de inkomsten fluctueren hevig van jaar tot jaar, wat de ontwikkelingsplannen grondig in de war stuurt.

ACP-exporteurs klagen dat fondsen van het zogenoemde Stabex-systeem, in het leven geroepen bij het verdrag van Lomé om de inkomsten uit export te stabiliseren, ontoereikend waren om de inkomstenverliezen te compenseren.

Bovendien richtte Sysmin, een programma om ACP-delfstoffenproducenten te helpen zich voornamelijk op markten die van belang waren voor de EU.

Ondanks enkele tekortkomingen gelooft de ACP-groep nog steeds dat het verdrag van Lomé een zeer bruikbaar instrument is, meent Carl Greenidge uit Guyana, de huidige secretaris-generaal van de ACP-groep. “Niemand binnen de ACP vraagt om een radicale herziening. In plaats daarvan kijkt men naar technische verbeteringen in de handel die het verdrag effectiever kunnen maken,” aldus Greenidge.

Het debat over handel gaat over de beste manier om ACP-exporteurs concurrerender te maken en in welke mate inspanningen gericht dienen te worden op de private sector. Er is ook sprake van het treffen van nieuwe maatregelen, zoals eerbiediging van de democratie en de rechtstaat. ACP-landen willen voortaan ingelicht worden voordat de EU zijn hulp stopzet vanwege mensenrechtenschendingen.

Nigeria kreeg sancties opgelegd na de executie van de schrijver Ken Saro-Wiwa en acht andere mensenrechtenactivisten vorig jaar. In januari schortte de EU de ontwikkelingshulp nog voor zes maanden op na de militaire coup in Niger. “Sommige EU-landen denken dat democratie automatisch economische groei met zich meebrengt, maar het kan ook destabiliserend werken en het heeft een draagvlak nodig”, zegt Greenidge.

Hij waarschuwt tegen de verschuiving van middelen van economische ontwikkeling naar democratie, omdat volgens hem de hulp evenwichtig moet blijven.

Een andere reden tot ongerustheid is de stijgende schuldenlast van de ACP-landen aan de EU - een verzesvoudiging ervan vond plaats tussen 1988 en 1992.

Het afbetalen van buitenlandse schulden slokt jaarlijks gemiddeld 25 procent van de exportinkomsten van de ACP-landen op, in enkele gevallen zelfs 50 procent, en wordt gezien als het grootste obstakel voor ontwikkeling. “De afbetaling gaat vaak ten koste van de budgetten voor gezondheid en onderwijs, ” merkt Greenidge op. De EU zegt dat het verlichten van de schuldenlast een zaak is van nationale overheden en verzoeken om hulp stuitten in het verleden op dovemansoren met afschrijvingen die jaarlijks onder de één procent van de totale ACP-schulden bleven.

“De ACP-landen zijn klein en arm, en omdat ze geen bedreiging vormen voor de Europese en Amerikaanse bancaire wereld krijgen ze niet dezelfde behandeling als de Latijnsamerikaanse landen”, zegt Greenidge. Om de aandacht te vestigen op verstikkende greep die de schulden hebben op de landen die worstelen om de strenge herstructureringsplannen van de Wereldbank uit te voeren, organiseert de ACP-groep een seminar over schuldvermindering in Brussel. (Reuter)