Zekveld wil weg bij Concertgebouworkest na beleidsconflict

AMSTERDAM, 25 MAART.Jan Zekveld heeft zijn positie als artistiek directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest ter discussie gesteld, maar hijzelf noch het orkest bevestigt dat er sprake is van een ontslagaanvraag. Het bestuur vergadert vanavond en komt morgenmiddag met een reactie. Zekveld zou teleurgesteld zijn over de mate waarin hij de afgelopen drie jaar het artistieke beleid van het orkest heeft kunnen ombuigen in de richting van de eigentijdse en 20ste-eeuwse muziek. Daarbij is sprake van gebrek aan financiën, maar ook aan steun voor zijn ideeën bij het bestuur, zakelijk directeur Willem Wijnbergen, chef-dirigent Riccardo Chailly en orkestleden. Zij vinden dat Zekveld te ambiteus is en te snel te veel wil veranderen.

De problemen voor Zekveld begonnen vorig jaar tijdens het Mahler Feest, toen bleek dat het voor verschillende belangrijke dirigenten zoals Claudio Abbado, die toen in Amsterdam optraden, om allerlei redenen onmogelijk was snel en vaak terug te keren in het Concertgebouw. De gedeprimeerde Zekveld was daarna enige tijd afwezig. Onlangs ontbrak hij “wegens bronchitis” toen het Concertgebouworkest het nieuwe seizoensprogramma aankondigde en verklaarde dat voor een ambitieus artistiek beleid een fors hogere subsidie noodzakelijk was.

Het orkest zei toen dat voortzetting van de Festival-serie, waarin dit jaar Pierre Boulez en Mstislav Rostropowitsj optraden, nu financieel onmogelijk is. Ook de uitvoering van stukken als het Te Deum van Berlioz (verleden week op het programma van het Rotterdams Philharmonisch Orkest) en Oedipus Rex van Strawinsky (het komende seizoen op het programma van de Matinee) zou alleen doorgang kunnen vinden als de subsidie voor het orkest flink wordt verhoogd.

De in 1945 geboren pianist Jan Zekveld bouwde vanaf 1979 een groot internationaal prestige op als programmeur van de Vara-Matinee op de vrije zaterdag, waarvoor hij in 1992 werd onderscheiden met het 3M-laureaat van 100.000 gulden: een erkenning van “eigenzinnigheid, creativiteit en doorzettingsvermogen.” Sinds 1 april 1993 was Zekveld bij het Concertgebouworkest de opvolger van artistiek leider Hein van Royen, die twee jaar eerder overleed. Bij zijn aantreden, een stap waarover hij lang heeft geaarzeld, kondigde hij belangrijke beleidswijzigingen aan. Maar hij zei in deze krant ook te beseffen dat de vrijheid om te programmeren bij een orkest met een wereldstatus kleiner is dan bij de Vara.

“Riccardo Chailly is een chef-dirigent die daar een duidelijk stempel op wil drukken, je hebt te maken met wensen van grote gast-dirigenten en van platenmaatschappijen, die mede zorgen voor veel extra inkomsten.” Zekveld vond dat de traditie van de negentiende en vroeg-twintigste eeuwse muziek bij het Concertgebouworkest moest worden gekoesterd, onmiddellijk gevolgd door het grote repertoire uit de periode daarna, uitgevoerd onder leiding van de grote dirigenten. Hij pleitte voor een coherent beleid, een duidelijke profilering van de concertseries en een artistiek niveau op de hoogte van de Europese toporkesten en de belangrijke festivals.

Daarin slaagde Zekveld met de begeleiding door het Concertgebouworkest onder leiding van Pierre Boulez van Schönbergs Moses und Aron bij de Nederlandse Opera - de Amsterdamse voorstelling wordt deze zomer herhaald tijdens de Salzburger Festspiele. Maar om op dat niveau frequent verder te werken en opdrachten te geven aan belangrijke componisten ontbreken bij het Concertgebouworkest de financiën. Het orkest, dat zelf 55 procent van het budget bijeenbrengt, vraagt van rijk en Amsterdam de komende vier jaar een forse verhoging van de subsidies, die nu 14 miljoen bedragen.