Van drugsbeleid is helemaal geen sprake

Nederland pleegt zich op de borst te slaan voor zijn drugsbeleid. Maar het is moeilijk uit te maken of de balans van 25 jaar gedogen wel zo positief is, oordeelt Bastiaan Bommeljé. De overheid zoekt, soms in walmen van eigenwaan, voor alles naar een aanpak die haar het gevoel geeft dat zij deze 'sociale ontwikkeling' onder controle heeft.

Het Nederlandse drugsbeleid heet uniek te zijn in de wereld. Zeker is dat het zorgt voor overlast van onbeheersbare emoties, in Frankrijk niet minder dan in Nederland. De behandeling van de 'drugsnota' verleden week in de Tweede Kamer werd dan ook begeleid door rituele ketelmuziek in buiten- en binnenland.

Hilarisch was bijvoorbeeld de opzwepend chauvinistische toon waarmee het NOS-journaal het drugsdebat journalistiek in kaart bracht. Het Nederlandse beleid heette hier ronduit “een voorbeeld voor de rest van de wereld” en “bijzonder succesvol”, en ook werd de kijker vergast op woorden zoals “navolgenswaardig” en “vooruitstrevend”. Zelfs De Telegraaf behandelde in haar kolommen het drugsbeleid alsof de coffeeshops vol pukkelige hasjtoeristen een triomf van onze nationale identiteit zijn. Bovendien ontkwam de anders zo koele minister Borst niet aan lyrische zelfbewieroking met een rede in het parlement die doordesemd was met zinsneden als “het drugsbeleid mag er zijn”, “het drugsbeleid is effectief” en “het zal moeilijk zijn een ander land te noemen dat met betere resultaten kan schermen”.

Dat een land als Frankrijk daar anders over denkt, werd evenzeer duidelijk. De in Parijs gebezigde term 'narco-staat' leidde tot een wederzijds vijandbeeld dat sinds de Napoleontische oorlogen ongekend is. Toch komt de kwalificatie niet geheel onverwacht voor wie beseft dat 48,3 procent van de heroïne, 57 procent van de amfetamine, 81 procent van de ecstacy en 91 procent van de LSD die in Frankrijk wordt onderschept uit Nederland afkomstig is.

Bovendien kunnen de Fransen zich gesterkt voelen door de woorden die in de Nederlandse Tweede Kamer werden uitgesproken door het CDA. Zonder dat iemand met zijn ogen knipperde, constateerde parlementariër Van de Camp daar dat “Nederland op het gebied van synthetische drugs het Colombia van Europa is geworden”.

Overigens vielen in de Tweede Kamer nog meer behartenswaardige woorden te beluisteren, zowel van de voor- als tegenstanders van het drugsbeleid. De Graaf (D66 en dus partijgenoot van de drie betrokken bewindslieden Borst, Sorgdrager en Kohnstamm) concludeerde onomwonden dat er “vaak helemaal geen beleid” is. Hij had het over “een uit de hand gelopen laat-maar-waaien” aanpak, die geresulteerd heeft in een “enorme verspreiding van criminaliteit, zowel kleinschalig als georganiseerd”. Korthals (VVD) diagnostiseerde het beleid als “hypocriet en huichelachtig”. En de PvdA-fractie kwam tot de conclusie dat het “gedoogbeleid nergens wordt begrepen, niet buiten maar ook niet binnen Nederland”.

Dit zijn kwalificaties die niet bepaald passen bij een unieke, succesvolle en hartverwarmende bestuurlijke aanpak die nu in de beeldvorming gestalte heeft gekregen. Toch hebben de drie coalitie-partners geen ongelijk. Sedert de eerste herziening van het drugsbeleid in 1968-1969 - meer dan een kwart eeuw geleden - wordt de politieke visie op het gebied van drugs nog steeds beheerst door dezelfde patstellingen, dezelfde taboes, dezelfde dogma's, dezelfde politieke correctheid en dezelfde hulpeloosheid van de overheid.

Er zijn miljoenen guldens gepompt in hulpverlening en in opsporing, in zorginstellingen en in overheidsstudies - de Jellinek-kliniek alleen al krijgt 45 miljoen gulden per jaar, maakt glanzende jaarverslagen met bijdragen van Freek de Jonge, en hielp volgens eigen opgave afgelopen jaar 132 gebruikers van hun verslaving af. Maar wat betreft beleid is de overheid geen stap verder dan destijds.

In dat perspectief is het aardig de thans door de Kamer aanvaardde drugsnota te vergelijken met de 'Nieuwe richtlijnen voor de vervolging van overtreders van de Opiumwet' uit 1969 en met het fameuze rapport van de door de rijksoverheid ingestelde commissie-Baan (Werkgroep Verdovende Middelen) dat in 1972 werd gepubliceerd. Ook toen al werd als uitgangspunt gekozen voor de bestrijding van harddrugs en het gedogen van softdrugs, voor de decriminalisering van gebruikers en voor de noodzaak van hulpverlening om de overlast in de hand te houden.

Ook toen al bepleitte de commissie-Baan (vergeefs) voor de algehele legalisering van softdrugs. En ook toen al was de kritiek te horen dat de nationale overheid in feite het beleid overliet aan lagere overheden, en de verantwoordelijkheid (en overlast) afschoof op regionale en lokale bestuurders. Ook toen al werd geklaagd dat door dit gebrek aan beleid en de 'laksheid van de politiek' rechtsongelijkheid en bestuurlijke willekeur aan de orde van de dag waren.

Vijfentwintig jaar verder kan de balans worden opgemaakt van het Nederlandse drugsbeleid. In ons land bestaan nu tussen de 1.200 en 2.000 coffeeshops (de overheid kent het precieze aantal niet); in 900 daarvan wordt volgens opgave van minister Sorgdrager ook in harddrugs gehandeld (of bestaat het sterke vermoeden daarvan). Er zijn in Nederland circa 700.000 zware gebruikers van softdrugs, en talloos veel meer incidentele gebruikers (die overigens steeds jonger worden).

Tenminste 35 procent van de jeugd die in het weekeinde uitgaat, gebruikt ecstacy, speed, cocaïne of andere drugs in pilvorm. De provinciale overheden maakten recentelijk zelfs gewag van sterk stijgende aantallen gebruikers omdat de prijs van een ecstacy-pil vanwege de overvloedige aanvoer tot omstreeks de tien gulden is gezakt, waardoor die binnen ieders bereik is gekomen.

Wat de harddrugs betreft, tast de overheid grotendeels in het duister. Zeker is dat een stad als Rotterdam meer dan 600 dealpanden heeft, waarvan 300 in de gemeente Delfshaven staan. De drugsscene wordt hier zowel aan de kant van handel als aan de kant van gebruikers voor een groot deel door allochtonen beheerst. Het stadbestuur van Rotterdam heeft nu officieel vastgelegd dat de overlast van de drugsscene niet op “aanvaardbare proporties” is.

Het aantal Nederlandse drugsverslaafden wordt geschat op 1,6 promille van de bevolking, beduidend minder dan in Zwitserland (circa 5 promille), en evenveel als in Zweden, dat een zeer restrictief drugsbeleid heeft. Overigens zijn dit soort cijfers notoir moeilijk te vergelijken en gelden ze bij menig onderzoeker als 'nietszeggend'. Zeker is wel dat het aantal drugsdoden in Nederland relatief laag is, en het aantal drugstoeristen hoog (tot meer dan 600 per dag in een stad als Maastricht) is.

In Nederland wordt aan zwaarverslaafden al geruimde tijd op grote schaal methadon verstrekt, maar er is in feite nog steeds niets bekend over het effect van deze verstrekking. Volgens gegevens van de vakgroep Epidemiologie van de Rijksuniversiteit Limburg blijft het overgrote deel van methadonconsumenten toch ook heroïne gebruiken waardoor hun gezondheid en psychosociale functioneren steeds verder achteruitgaan.

De overheid wil nu ook gaan experimenteren met verstrekking van heroïne op medische indicate. Hoewel in het buitenland deze experimenten al zijn uitgevoerd, is nog niets duidelijk over de effectiviteit ervan. Datzelfde geldt overigens voor gedwongen afkicken, dat in Nederland een taboe is (minister Borst meent dat het leidt tot opjaging van verslaafden), maar nimmer is onderzocht op resultaat.

Ondertussen is er van de reeds jaren geleden door de overheid aangekondigde 'intramurale motivatiecentra' voor afkicken nog niet één gerealiseerd, terwijl er voor vrijwillige afkick een chronisch gebrek aan bedden bestaat. Zeker is wel dat er in Nederland meer dan 10 miljard gulden omgaat in de handel en doorvoer van soft- en harddrugs.

Het is moeilijk te zeggen of deze balans van vijfentwintig jaar gedogen - of zoals De Graaf van D66 het uitdrukte 'vaak geen beleid' - nu positief is. Meermalen smalen de ministers richting criticasters dat die niet uitgaan van de 'feiten', maar zich laten meeslepen door 'emoties'. Feit blijft echter dat de overheid na vijfentwintig jaar beleid en na het spenderen van honderden miljoenen gemeenschapsgeld er niet in is geslaagd veel onomstotelijke feiten of een duidelijke visie inzake drugs op tafel te krijgen. Geen wonder dat de ene minister spreekt van een “beleid dat er mag zijn”, en dat de andere enkele minuten later doodleuk verklaart dat het “uit de hand is gelopen”.

Sedert 1969 - en zeker sinds het rapport van de commissie-Baan uit 1972 - rust de benadering van drugs in Nederland op twee peilers: het scheiden van de markten van soft- en harddrugs, en het strafrechtelijk onderscheid tussen gebruik en handel. En dit alles dan primair gericht op het beheersen van de volksgezondheidproblemen en van de overlast.

De huidige drugsnota herhaalt deze uitgangspunten van een kwart eeuw oud vrijwel letterlijk. Vanuit het oogpunt van strafrecht en wetgeving regeert nu officieel het 'opportuniteitsbeginsel', zoals minister Sorgdrager dat verwoordde - een eufemisme voor het juridische niemandslands waarover een kwart eeuw geleden ook reeds werd geklaagd.

Wat bij dit alles opvalt - en zowel H.J.A. Hofland als anderen hebben dat in deze krant al aangestipt - dat drugs niet alleen in Frankrijk maar ook in Nederland een onderwerp is waarbij het minder gaat over feiten (die zijn niet overvloedig voorhanden) maar veeleer over emoties, geloof en politieke correctheid.

Drugsgebruik en verslaving zijn ongetwijfeld ingewikkelde verschijnselen, en het is geen sine cure hieromtrent wetgeving en beleid te ontwikkelen. Toch is het ronduit teleurstellend dat reeds een kwart eeuw lang de overheid in feite met de handen in het haar staat - de doekjes voor het bloeden daargelaten - doch zichzelf wel gedurig op de borst slaat over het gevoerde beleid.

De kern van verslaving is de volkomen afhankelijkheid van het roesmidel, zowel lichamelijk als psychisch. Dat geldt in zekere zin voor de jeugdige ecstacy-gebruikers in het weekeinde, maar zeker voor de harddrugsverslaafden. De verslaving en de afhankelijkheid worden bovendien in stand gehouden door de beknelling van het psychosociale milieu van de verslaafde en zijn afhankelijkheid van verslaafde levensstijl.

Behalve dat het individu dus beroofd wordt van zijn zelfstandigheid en zijn belangrijkste menselijke eigenschappen (zijn vrije wil en zijn kritische geest), is drugsverslaving een verschijnsel dat eroderend werkt op een samenleving die juist is gebaseerd op de organisatie van zelfstandige mensen met een vrije wil en een kritische geest.

Van een paars kabinet zou men mogen verwachten dat het drugs dus onderkend als strijdig met de menselijke waardigheid en met de idealen van de Verlichting waarop de moderne Westerse beschaving is gefundeerd. Dat de overheid nu uitdrukkelijk meldt niet het afkicken van verslaafden te beogen, maar de verbetering van hun gezondheid is dus een contradictio in terminis en weinig hoopgevend.

Duidelijk is - zoals onlangs nog door James Kennedy in zijn Nieuw Babylon in aanbouw werd betoogd - dat de thans in alle toonaarden bezongen (en verketterde) liberalisering van het Nederlandse drugsbeleid in 1969 niet in eerste instantie voortkwam uit libertijnse overwegingen of uit kennis van zaken aangaande verslaving en roesmiddelen, maar uit pragmatische overwegingen van de autoriteiten. Men wilde hoe dan ook (en hoeveel honderden miljoenen guldens het ook zou kosten) komen tot een aanpak die de overheid in ieder geval het gevoel zou geven controle te houden over deze 'sociale ontwikkeling'.

Reeds vijfentwintig jaar feliciteert Nederland zichzelf met haar drugsbeleid - soms in walmen van eigenwaan - doch in feite is er helemaal geen beleid. Er is slechts een duurbetaald 'opportuniteisbeginsel'.