Stil afscheid van kille arena

AMSTERDAM, 25 MAART. De maartwind gierde door het Olympisch Stadion. Tussen de gaten en kieren van het monumentale bouwwerk door, over veertigduizend verhitte hoofden heen en langs de fiere marathontoren waarop een eenzame vlag wanhopig wapperend de aandacht probeerde te trekken. Zo zal de maartwind, zo zal geen gure wind meer tijdens Ajax-Feyenoord waaien.

De wind zal in de Amsterdamse uitgave van De Klassieker geen rol van betekenis meer spelen. In de toekomst van de Amsterdam Arena zal de wind geen vrij spel meer hebben. Daar zal men nauwelijks hinder ondervinden van de elementen. Daar kan onder vrijwel kunstmatige omstandigheden vrijwel kunstmatig worden gevoetbald. Daar zal een poging worden ondernomen het toeval uit te sluiten.

Vermoedelijk zullen slechts weinigen bij het verlaten van het stadion met weemoed hebben teruggedacht aan de gevechten die Ajax en Feyenoord in de olympische arena van 1928 hebben geleverd. Wie stond stil bij de vijf doelpunten van Ajacied Ruud Geels in november 1975, bij de drie doelpunten van 'De kont van Bleijenberg', zoals de Veenendaalse Ajacied Wim Bleijenberg op de Veluwe werd genoemd, tijdens de beslissingswedstrijd om het landskampioenschap tussen Ajax en Feyenoord, of bij het 'sudden death'-doelpunt van Mike Obiku in de kwartfinale van de nationale beker in 1995, bij Coen Moulijn, bij Sjaak Swart, bij Jesper Olsen, bij Piet Keizer, bij Rinus Israel en Johan Cruijff? Gewoon eerst een eresaluut aan de vlag op de marathontoren en pas dan naar huis, nee, dat was er niet bij.

Het Olympisch Stadion mag dan een grote voetbalhistorie koesteren, een voetbalstadion was het niet helemaal, vooral door zijn atletiek- en wielerbaan. Wie was veroordeeld tot de hoogste trede van de staantribune kon zich weliswaar vergapen aan dronken supporters die over de rand van het stadion urineerden, maar zag van de wedstrijd weinig meer dan schimmige poppetjes die zich volgens wonderbaarlijke patronen uit de naad werkten. De afstand tussen de balvirtuoos en de echte liefhebber was te groot om van een symbiose te kunnen spreken. Wie juichte, juichte mee, wie schold, schold mee, wie zweeg, zweeg mee. Voetbalbeleving van horen zeggen, dat gold voor het Olympisch Stadion.

Ajax-Feyenoord was geen Feyenoord-Ajax. In De Kuip van Rotterdam heerste een voetbalsfeer waar iedereen zich thuisvoelde. Wanneer in Amsterdam De Klassieker van De Meer uitweek naar het Olympisch Stadion, was dat om aan de grote publieke belangstelling tegemoet te komen en de recette te vergroten. Sinds 1930 speelden Ajax en Feyenoord 32 maal tegen elkaar in het Olympisch Stadion en won Ajax zeventienmaal. Het zijn nuchtere cijfers, waarbij geen van de 41.500 mensen die gisteren aanwezig waren zal hebben stilgestaan. In het Olympisch Stadion mag dan menigmaal voetbalkoorts hebben geheerst, wat oud en vergaan is ontmoet slechts onverschilligheid.

Het stadion voldoet niet meer aan de eisen die mensen van deze tijd stellen. De accommodatie biedt te weinig comfort aan de mecenassen, is te wind- en vochtgevoelig voor de gegoede burgers en niet veilig genoeg voor het verongelijkte supportersvolk dat met steeds meer moeite door bewakingsdiensten en politie-eenheden in het gareel kan worden gehouden. Misschien garandeert zelfs de grasmat geen modern voetbal meer. Waarschijnlijk namen slechts weinigen met pijn in hun hart afscheid van deze arena waar vreugde en verdriet de mensen de pijn en sleur van alledag deden vergeten.

Het Olympisch Stadion leefde wat voetbal betreft vooral in de herinnering dankzij de Europa-Cupwedstrijden van Ajax, met het duel-in-de-mist tegen Liverpool als hoogtepunt, en dankzij de Europa-Cupfinale tussen Real Madrid en Benfica. De Klassieker leefde niet dankzij het Olympisch Stadion, De Klassieker leefde dankzij Ajax en Feyenoord. Volgend seizoen leeft De Klassieker daarom gewoon voort. Ook zonder de spelers en trainers van gisteren en vandaag. Ook in de Amsterdam Arena, wind of geen wind.