Nie mówie po polsku

Het leek een gewone vraag: hoe laat is het? Dat zij in het Pools werd gesteld maakte haar voor mij weliswaar onverstaanbaar, maar dat iemand op het plein wilde weten hoe laat het was kwam mij heel normaal voor. De enige zichtbare klok is die op de oude toren van het voormalige stadhuis en die staat al sinds ik zes weken geleden hier in Kraków aankwam op tien voor half negen, de treurigste tijd die een klok kan aangeven.

Nie mówie po polsku, zei ik - een van de weinige Poolse zinnen die ik, door veelvuldig gebruik, inmiddels met een zekere flair weet uit te spreken. Waarna de vraagsteller moeiteloos over ging in het Engels en mij vervolgens vroeg waar ik vandaan kwam.

Uit Nederland? Wat toevallig, zijn vader werkte in Nederland, voor een computerbedrijf. In Haarlem, of ik dat misschien kende? Hij liep een stukje met mij mee en we spraken over Nederland en over hoe ik hier verzeild was geraakt. Toen had ik natuurlijk al argwaan kunnen krijgen. Want waarom wilde iemand zo nodig weten hoe laat het was, als hij vervolgens kennelijk een zee van tijd had om over Hollandse koetjes en kalfjes te praten.

Maar ik kreeg geen argwaan. Dus toen hij vroeg of ik misschien tijd had voor een kop koffie, dacht ik, waarom ook niet. Ik had nog een uur voor mijn afspraak en intussen niks bijzonders te doen. Hij vroeg wat ik van Polen vond, ik vroeg of hij al eens in Nederland was geweest. En daarna waren we wel ongeveer uitgesproken. Ik betaalde, al was het alleen maar omdat hij geen aanstalten maakte zijn portemonnaie te pakken, en we vertrokken.

Opnieuw liep hij met mij mee, terug langs de plek waar hij had gevraagd hoe laat het was en nog verder. Hij vertelde over het Nederlandse geld dat hij zo mooi vond. Vooral het briefje van vijftig gulden, dat zijn vader hem had laten zien. En hij kende de namen van het muntgeld: stuuver, doebeltje, kvatje, koelden, riksdaalder.

Toen ik uiteindelijk duidelijk maakte dat ik de andere kant op moest, vroeg hij ineens of ik misschien wat kleingeld voor hem had, voor nog een kop koffie.

Waarom weet ik niet precies, maar die vraag maakte hem ineens volstrekt ongeloofwaardig. Hij had mij waarschijnlijk als buitenlander herkend en een truc uitgehaald om wat geld te bemachtigen. Dit was dus helemaal geen informaticastudent, dacht ik, maar iemand die het bedelen tot een kunst had verheven. Iemand die zich, om een gratis kop koffie te bemachtigen, had verdiept in het Nederlandse muntenstelsel. Die een vader in Haarlem had verzonnen en die misschien zelfs met zijn gebedel ooit een andere Nederlander een briefje van vijftig had afgetroggeld.

Later vond ik dat ik had overdreven. Studenten in Polen hebben het financieel niet gemakkelijk, dus dat hij een in zijn ogen rijke buitenlander om wat geld vroeg was misschien helemaal niet zo gek. Totdat mij twee dagen later opnieuw op die terloopse manier naar de tijd werd gevraagd - deze keer werd mijn status van buitenlander onmiddellijk verraden door het fototoestel dat ik bij me had. Weer begreep ik de vraag niet en weer ging de vragensteller direct over in het Engels en vroeg waar ik vandaan kwam. Uit Nederland, zei ik. Ah, Amsterdam, Ajax. Voordat hij zijn volgende vraag had geformuleerd, liep ik door, pretenderend dat ik haast had. Ineens hoorde ik vanuit de toren van de Mariakerk de trompetspeler zijn signaal blazen. En ik bedacht me dat hij inderdaad net de klok had geluid. Deze jongen had alleen maar even het aantal slagen hoeven te tellen, om te weten hoe laat het was.

Gisteren zat ik in een café in de lakenhal, midden op het plein. De beide tijdvragers liepen buiten langs het raam. Ik tikte op de ruit en gebaarde dat ze even moesten wachten. Ze keken me verbaasd aan, aarzelden even, zich kennelijk afvragend of ze niet moesten wegrennen. Maar ze bleven bij de deur toch op me wachten. Zeg eens eerlijk, vroeg ik, werkt je vader echt in Haarlem? Ja, zei hij. Daarna heb ik ze wat kleingeld gegeven voor een kop koffie.