Nederlands drugsbeleid geprezen en bekritiseerd

Op een internationale conferentie over drugsgebruik dit weekeinde in Lissabon kwam ook het Nederlandse drugsbeleid ter sprake. Een inventarisatie van de verschillende meningen.

LISSABON, 25 MAART. Het Nederlandse drugsbeleid, vooral op het gebied van de behandeling en opvang van drugsverslaafden, behoeft navolging op Europees niveau. Ook Frankrijk kan op dit gebied iets leren van de Nederlandse ervaringen. Dit zei de Fransman G. Estievenart, directeur van het Europese Waarnemingscentrum met betrekking tot drugs en drugsverslaving dit weekeinde op een conferentie in Lissabon over de drugsproblematiek.

Ongeveer 150 wetenschappers en beleidsmedewerkers kwamen in de Portugese hoofdstad bijeen voor de Internationale Drugsconferentie die werd georganiseerd onder auspiciën van het Noord-Zuidcentrum van de Raad van Europa. Hoewel het niet op de agenda stond die voor deze werkconferentie was samengesteld, vormde het Frans-Nederlandse conflict een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp in de wandelgangen. De voorzitter van het Portugese parlement, A. Santos, benutte de opening van de conferentie zelfs om een pleidooi te houden voor een liberalisatie van het gebruik van drugs, waarbij hij indirect verwees naar de Nederlandse aanpak.

Het Europese Waarnemingscentrum met betrekking tot drugs is door de Europese Unie ingesteld om een inventarisatie te maken van de verschillende vormen van drugsbeleid en de lidstaten daarover te informeren. Het centrum liet bij de laatste Europese top in Madrid voor het eerst van zich horen door gezamenlijk met Europol een rapport te publiceren over het Europese drugsbeleid. Ook bij het aangekondigde onderzoek naar een mogelijke harmonisatie van het Europese drugsbeleid ligt het voor de hand dat het centrum een rol zal spelen.

Nederland heeft dan zeker iets te bieden, meent Estievenart. “De behandeling en de sociale opvang van drugsverslaafden zoals die door de Nederlanders zijn opgezet behoren waarschijnlijk tot de belangrijkste ervaringen die we op dit gebied in Europa hebben. Die ervaring is ook interessant voor Frankrijk. Nederland werkt al jaren met methadonprogramma's waar Frankrijk nu net mee begint, nadat het daar lang een taboe is geweest.”

Opleggen van een beleid wil het waarnemingsinstituut overigens niemand, zo haast Estievenart zich te verklaren. Bemiddelen in een conflict tussen twee lidstaten is eveneens niet het doel. “We proberen de onderdelen van het beleid van de lidstaten er uit te pikken die in de toekomst gemeenschappelijk verder ontwikkeld moeten worden.”

Bij de 39 landen van de Raad van Europa wordt er evenwel aanmerkelijk minder enthousiast gedacht over de Nederlandse aanpak. De voorzitter van de Pompidou-groep, het coördinatie-orgaan binnen de Raad van Europa in de strijd tegen drugsmisbruik en illegale drugshandel, de Noor K. Bentzen, houdt gepaste afstand tot de bilaterale ruzie tussen Nederland en Frankrijk. Maar als er partij gekozen moet worden bestaat er volgens Bentzen weinig begrip voor het Nederlandse standpunt. “De laatste jaren lopen de Nederlanders in hun eentje een race, zowel in de Pompidou-groep als binnen de Verenigde Naties. Hoewel Nederland officieel geen legalisatie van drugs toepast is er sprake van een liberalisatie die ver afstaat van de rest van de Westeuropese landen.”

Nederland staat geïsoleerd binnen de Pompidou-groep op een groot aantal terreinen, meent Bentzen. “Het toestaan van openbare gebruikersplaatsen, zoals coffeeshops. En het onderscheid tussen soft- en harddrugs, waarbij men zich weinig druk maakt over het gebruik van cannabisprodukten.” Er bestaat volgens hem dan ook weinig geloof in de opvatting dat het Nederlandse beleid heeft geleid tot een stabilisatie van het aantal verslaafden aan harddrugs, de verspreiding van aids tegengaat en een betere controle van de handel mogelijk maakt. “Ik betwijfel dit soort gegevens die door mijn zeer geachte collega's uit Nederland worden gepresenteerd. In mijn land, Noorwegen, is de verspreiding van aids onder drugsverslaafden lager dan in Nederland, ondanks het feit dat ons beleid aanmerkelijk restrictiever is. De meeste verslaafden zeggen ook zelf dat de vrije verstrekking van drugs een slechte zaak is. Ik zie geen trend in andere landen om dit beleid over te nemen. Iedereen weet dat hoe meer je de verspreiding van drugs toestaat, hoe meer de totale drugsconsumptie zal toenemen. Alcohol is sociaal geaccepteerd, daar kun je nu eenmaal weinig aan doen. Maar als je ook andere drugs toestaat zal de consumptie en daarmee het probleem verder toenemen.”

Zelf deelt Bentzen dan ook het Franse standpunt in de discussie die nu gaande is. Net als het geval is met de andere vertegenwoordigers binnen de Pompidou-groep. “Dat is mijn indruk, ja. Nederland neemt de positie in van een loner binnen Europa.”

De woorden van Bentzen wekken de nauwelijks verhulde ergernis bij de Nederlandse vertegenwoordiging binnen de Raad van Europa. “Het zal de aanwezigen op dit congres bovendien niet ontgaan zijn dat meneer Bentzen bij de openingssessie van deze conferentie in slaap is gevallen”, merkt K. van Spronsen, plaatsvervangend voorzitter van de Nederlandse delegatie, terzijde op. Volgens Van Spronsen staat het Nederlandse drugsbeleid niet ter discussie binnen de Raad van Europa. “De Raad is een intergouvernementele organisatie. Het gaat er daarbij om een gemeenschappelijk standpunt te formuleren, niet om het beleid van een land te beoordelen”, aldus Van Spronsen. Zijn ervaring is dat veel landen, vooral uit de Scandinavische hoek, maar sinds enige tijd ook in het zuiden, met belangstelling kijken naar de Nederlandse aanpak.

Er is volgens Van Spronsen bovendien geen enkele reden om Nederland binnen de Raad van Europa om zijn beleid te kritiseren. “In 1990 hebben twintig landen van de Raad een verdrag getekend over het tegengaan van het witwassen van drugsgelden en de aanpak van de illegale handel. Nederland behoort tot de weinige landen die dit verdrag inmiddels hebben geratificeerd. Het wachten is nog op Frankrijk.”

Ook de VN-drugsconventie van 1961 geldt als een belangrijk ijkpunt. Het verdrag beperkt de mogelijkheid van toegestane handel tot drugs voor wetenschappelijk en medisch gebruik. Volgens B. Juppin de Fondaumière, directeur van het orgaan dat de invoering van het VN-verdrag controleert, heeft Nederland op het gebied van de coffeeshops een proces in werking gezet dat rechtstreeks gevolgen kan hebben voor de VN-overeenkomst, vooral op het gebied van cannabisprodukten. “Het begon als een gebruikersexperiment. Onvermijdelijk betekent dat dat er een oogje wordt dichtgekepen voor de illegale handel. En de volgende stap is de produktie en export van marihuana, al of niet in de vorm van zaadjes. Geen land ter wereld dat zo gespecialiseerd is in de verrijking van plantensoorten als Nederland.”

Hoewel vanuit de International narcotics control board van de VN tot dusver protesten zijn uitgebleven, vraag VN-waarnemer Juppin zich af of Nederland nog wel voldoet aan de regels. “De Nederlandse regering is zelf de eerst aangewezene om zich deze vraag te stellen. Enerzijds moet Nederland beseffen dat het geen eiland is, zeker niet binnen de Europese Unie. Anderzijds zijn de internationale verdragen niet in steen geschreven, ze kunnen veranderen en er is discussie gaande. Het gaat er niet om dat landen elkaar in verlegenheid brengen, maar dat er naar redelijke oplossingen wordt gezocht. En zo lang daar geen consensus over bestaat blijven de huidige regels van toepassing.”