Frans Brüggen dirigeert na 53 jaar luisteren voor het eerst de Matthäus Passion; 'Ik wil Christus veel minder ouwelijk en heilig'

Matthäus Passion door Orkest van de Achttiende Eeuw, Nederlands Kamerkoor, Jongenskoor St. Bavo, Nico van der Meel (evangelist), Kristinn Sigmundsson (Christus) en andere solisten o.l.v. Frans Brüggen: 31/3, 1/4 Concertgebouw Amsterdam; 2, 3/4 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

“Kristinn, het is prachtig, maar kan het niet juist iets minder mooi? Als Christus aan het kruis hangt, heeft hij niet zo'n lange krachtige adem als jij! Kun je het niet met wat meer moeite zingen?” Als het gegrijns en gegrinnik over het verzoek van Frans Brüggen voorbij zijn, zingt de IJslandse bas Kristinn Sigmundsson opnieuw: 'Eli, Eli, lama asabthani' - Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Het kost hem duidelijk moeite om het niet moeiteloos te laten klinken, maar het lukt.

In de Gereformeerde kerk aan de Amsterdamse Keizersgracht repeteerde half maart Frans Brüggen de Matthäus Passion. Na tien uitvoeringen tijdens een tournee langs Barcelona, Brussel, Tourcoing, Parijs, Wenen, Bologna, Ferrara en Lissabon, wordt het grootste werk van Bach het komende weekeinde nog vier keer in Amsterdam en Utrecht uitgevoerd en daarbij ook op cd vastgelegd. Sinds 1990 dirigeerde Brüggen enkele malen de Johannes Passion bij het Concertgebouworkest en zijn Orkest van de Achttiende Eeuw. De Matthäus Passion dirigeert Brüggen voor het eerst.

Brüggen: “De Johannes Passion is voor een conceptueel dirigent als ik wel iets lichtere kost, in alle opzichten gemakkelijker, korter en overzichtelijker dan de Matthäus Passion. Sinds mijn broekemanstijd heb ik daarvoor een enorme eerbied. Er is reden tot schroom, die heb ik nog steeds. Ik ben katholiek opgevoed, ik zat op een jezuïetenschool, mijn oudste broer is monnik. Ik ben nu niet meer praktizerend, maar ik heb het geloof niet in de geest afgezworen. Het lijdensverhaal in de Matthäus zegt me nog steeds veel.

“Mijn eerste Matthäus Passion hoorde ik als achtjarig jochie bij Van Beinum in het Concertgebouw, tussen mijn ouders in. En dan gingen we ook nog op Goede Vrijdag naar de Nederlandse Bachvereniging in Naarden met Anton van der Horst. Sinds die eerste keer ben ik elk jaar naar de Matthäus geweest. Ik ben nu 61, dus ik dirigeer dit stuk na 53 jaar luisteren. Iedereen in het orkest heeft de Matthäus Passion heel vaak gespeeld, maar ik ben nooit gevraagd voor de blokfluitpartij. Ik weet niet of het feit dat ik een soort buitenstaander ben zijn voordeel heeft, maar misschien zou de combinatie van onschuld en doortraptheid wel eens aardige resultaten kunnen opleveren.”

Duidelijke voorbeelden heeft Brüggen niet overgehouden aan meer dan een halve eeuw luisteren naar de Matthäus. “Ik vond ze allemaal wel prachtig. Die muziek is zo ongelooflijk dat kritiek op de uitvoering bij dit stuk absoluut niet terzake doet. Ik kan me ook niet herinneren dat ik een uitvoering wel eens héél goed vond of héél slecht of middelmatig. Het gaat mij meer om het stuk zelf en dat is altijd goed.”

Tijdens de repetities met Nico van der Meel als evangelist en Kristinn Sigmundsson als Christus let Brüggen minutieus op de expressie van elk woord. Als een regisserende dominee legt hij belang en betekenis van elke zin uit, zegt waar de nadruk moet liggen, wijst verbanden aan. Brüggen weet het zó goed en hij zingt zó veel voor, dat het lijkt alsof hij het liefst zelf in de Matthäus zou zingen. “Als ik een stem had, zou ik wel willen, ja.”

Wat Van der Meel zingt is meestal welgedaan, maar Brüggen heeft vooral over de Christuspartij heel persoonlijke gedachten. Hij ziet Christus expliciet tegelijkertijd als zoon van God èn als mens. “Ik wil daarin voornamelijk tempo. Het gevaar is dat die liggende strijkersbegeleiding een permanente halo van heiligheid aan Christus verleent, zodat de neiging bestaat die passages met langzame eerbied af te wikkelen en te isoleren. Dat is een ouderwetse opvatting die Christus een beetje ouwelijk maakt en daar wil ik van af.

“Het is opvallend dat als je het verhaal helemaal doorleest, Christus in de Matthäus behoorlijk dwingend is. Het staat vol van 'oppassen', 'waarom doen jullie dat nu weer', 'blijf nu eens wakker', 'zie het', 'weet het', 'eet en drinkt'. Het zijn veel menselijke, kortaffe bevelen.

“In de Matthäus is Christus minder heilig dan in de Johannes. Hij heeft hier heel veel facetten: mens èn kind van God, patroon van zijn discipelen, alwetend, maar ook teleurgesteld als gebeurt wat hij voorziet, zoals het verraad van Judas. Hij is hoogmoedig ten opzichte van Pilatus en doodsbang om te sterven. Er is een heel lange episode waarin Christus niet optreedt en ook daar wil ik tempo. Het is allemaal wel belangrijk, de spijt van Petrus, de spijt van Judas, de problemen van Pilatus. Maar dat is een tussendrama, dat snel kan worden afgewikkeld, tot we weer bij het echte lijdensverhaal zijn gekomen met meteen al praktisch Christus' laatste woorden.”

Brüggen voert de Matthäus Passion zo 'authentiek' mogelijk uit als de omstandigheden toelaten. De bezetting is kwantitatief vrijwel even groot als Bach zelf gebruikte bij zijn uitvoeringen in Leipzig tussen 1727 en 1736. De twee orkesten en koren worden ruimtelijk zoveel mogelijk gescheiden en hebben elk hun eigen solisten.

Brüggen werkt wel met vrouwenstemmen. “De zangkwaliteit van de huidige generatie jongetjes maakt dat noodzakelijk. Ik heb ooit wel overwogen de ariosi die voorafgaan aan de aria's niet te laten zingen door dezelfde zanger maar door een 'coro favorito', drie stemmen uit het koor zoals bij Schütz gebruikelijk was. Daar ben ik van af gestapt omdat Bach dat toch niet deed. Maar het zou het aparte karakter van die ariosi hebben geadstrueerd: een positionering van de komende aria, maar veel minder emotioneel.”

Brüggen ziet de Matthäus niet als kerkelijk muziektheater. “Een mis van Haydn, dát is opera met vertoon van virtuositeit. De Matthäus is diepgelovige muziek zonder uiterlijk vertoon. Ook spektakel als het koor Sind Blitze, sind Donner komt eerder voort uit de gelovige inborst dan uit theatrale noodzaak. Iedereen voelt instinctief aan dat de Matthäus Passion heel bijzonder is, niet te vergelijken met een mis, opera of gregoriaans.

“De Matthäus Passion is volstrekt eigensoortig en volkomen uniek, al was het ouderwets voor de tijd. Het komt allemaal nog van Schütz, in de achttiende eeuw werd dit soort dingen niet meer gecomponeerd. Het is de definitieve bekroning van de oude stijl, zoiets is niet meer gebeurd sinds Bach.”