Frankrijk in gebreke bij betaling van zoutverdrag

DEN HAAG, 25 MAART. Frankrijk blijft al een jaar in gebreke bij de betaling van negen miljoen gulden aan de staat der Nederlanden als bijdrage aan de uitvoering van het Rijn-zoutverdrag.

“Het geld had volgens de overeenkomst in maart 1995 gestort moeten zijn, maar er is nog steeds geen cent binnen”, zegt Rijkswaterstaat bij monde van A. van der Wekken, beleidscoördinator bij de hoofddirectie in Den Haag. De Franse ambassade in Den Haag wil op de nalatigheid van Parijs geen commentaar geven. Anders dan Frankrijk hebben Duitsland en Zwitserland wel aan hun verplichtingen voldaan.

Het gaat om de financiering van een Nederlands project om zout kwelwater uit de Wieringermeer niet langer in het IJsselmeer te lozen, maar op de Waddenzee te spuien. Dit plan werd in 1991 vastgelegd in een zogeheten aanvullend protocol op het uit 1976 daterende Zoutverdrag tussen de vier Rijnoeverstaten. Het ontbreken van de Franse miljoenen blijkt voor Nederland geen belemmering te zijn de werkzaamheden in de Wieringermeer uit te voeren. Vorige week is er een begin mee gemaakt. Naar verwachting zal het werk medio 1997 gereedkomen.

Om de verzilting in het stroomgebied van de Rijn terug te dringen voorziet het verdrag allereerst in maatregelen bij de Franse kalimijnen in de Elzas, die massaal afvalzouten op de rivier lozen. Volgens het akkoord moeten de mijnen bij lage waterstanden overtollige pekel achterhouden en bovengronds opslaan, zodat het zoutgehalte bij Lobith niet uitstijgt boven de 200 milligram chloride-ionen per liter. Dat cijfer is het equivalent van 330 milligram natriumchloride, ofwel puur keukenzout.

Het 'dubbelplan' kost in totaal circa 170 miljoen gulden, te betalen door de gezamenlijke Rijnoeverstaten. Hiervoor geldt een verdeelsleutel die al veel eerder was afgesproken. Nederland draagt als voornaamste belanghebbende 34 procent van de kosten, Frankrijk en Duitsland elk 30 procent en Zwitserland 6 procent. Uitvoering van het verdrag in de Elzas is verreweg het duurst. De kosten daarvan, circa 130 miljoen gulden, zijn uitgesmeerd over een aantal jaren. Volgens Van der Wekken van Rijkswaterstaat heeft Nederland zijn bijdrage steeds op tijd aan Frankrijk betaald. Het Rijn-zoutverdrag met aanvullend protocol is eind 1994 van kracht geworden. Drie maanden daarna hadden alle partijen aan Nederland moeten betalen.

Pagina 3: Franse pekel bood stof voor decennialang vruchteloos overleg

Ontzilting van de Rijn is vooral van belang voor de drinkwatervoorziening in Nederland, omdat een te hoog zoutgehalte de leidingen aantast en de gezondheid van de consument kan schaden. De Rijn is bron van drinkwater voor onder andere Amsterdam, dat het water bij Nieuwegein uit de Lek haalt om het vervolgens in de duinen te infiltreren. De provincie Noord-Holland tapt hoofdzakelijk uit het IJsselmeer, dat via de Gelderse IJssel ook weer grotendeels door de Rijn wordt gevoed.

Om die reden draagt het Noord-Hollandse drinkwaterbedrijf PWN twintig miljoen gulden bij aan uitvoering van het Wieringermeerproject. Deze 20.000 hectare grote polder, die in 1930 droogviel, loost jaarlijks op het IJsselmeer 150 miljoen kubieke meter kwel- en regenwater, waarin gemiddeld 800.000 ton zout is opgelost. Volgens de plannen zal die zoutvracht per september 1997 voor 95 procent in de Waddenzee belanden. Daarvoor zijn in de Wieringermeer nieuwe gemalen nodig. Bovendien komt er bij Den Oever een betonnen pijpleiding door de Afsluitdijk naar de Waddenzee.

Het zout in de Rijn is decennialang onderwerp geweest van meestal vruchteloos overleg tussen de Rijnstaten. In de jaren zeventig en tachtig waren het voornamelijk Franse vertragingsacties die een oplossing van het vraagstuk keer op keer blokkeerden. De kalimijnen loosden toen per jaar ruim zeven miljoen ton zout in de Rijn, maar een plan om een deel daarvan in de Elzasser bodem te injecteren stuitte op fel verzet van de lokale bevolking en werd daarom ingetrokken.

Zo bleef de pekel naar Nederland stromen, waar de regering eenmaal, in 1979, haar tanden liet zien door de ambassadeur in Parijs, jhr. De Ranitz, voor consultatie naar Den Haag te roepen. Dat gold als een gewichtige diplomatieke stap, die echter geen noemenswaardig effect sorteerde.

Later kwamen partijen in nog altijd moeizame onderhandelingen nader tot elkaar met als gevolg dat er vanaf 5 januari 1987 jaarlijks 750.000 ton afvalzout op een terrein bij de kalmijnen werd gestort. Die opslag kwam voort uit de eerste fase van het Rijn-zoutverdrag.

De tweede fase zou op 5 januari 1989 ingaan, maar daar stak de toenmalige Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat, Smit-Kroes, een stokje voor. Ze verwierp de Franse voorstellen als “krakkemikkig” en besteedde haar geld liever aan acties tegen de lozing van chemicaliën en zware metalen. “Dat zout”, zei ze, “is tenslotte een minder ernstig probleem dan de chemische vervuiling.” Daarop moest Nederland een ander ontziltingsplan ontwerpen en kwam het IJsselmeer als gedeeltelijk alternatief in beeld. Zo ontstond een nieuwe versie van het Zoutverdrag.

Naar verwachting zal de Elzasser kali-industrie vanaf 1998 haar produktie geleidelijk verminderen wegens uitputting van de delfstof, tot in 2005 of 2006 de laatste mijn wordt gesloten. Maar ook daarna zullen de zoutlozingen in de Elzas doorgaan, omdat Frankrijk de opgeslagen massa alsnog in de Rijn mag schuiven. Beetje bij beetje, luidt echter de afspraak, en alleen als er genoeg water stroomt om de vracht aanmerkelijk te verdunnen, zodat er bij Lobith niet meer dan 200 milligram chloride in een liter zit.