Experimenteren met roken of spuiten in de heroïnekliniek

Voor de vrije verstrekking van heroïne komen alleen verslaafden in aanmerking van 25 jaar en ouder, in slechte lichamelijke en psychosociale conditie en ten minste al vijf jaar gebruiker. De restricties van een experiment.

ROTTERDAM, 25 MAART. “Oudere Surinaamse en Antilliaanse gebruikers, drugsprostituees, dakloze polydruggebruikers, seropositieven, afgegleden kruimeldieven”, daar richt het experiment zich op. Niet in aanmerking voor de proef komen verslaafden die in het afgelopen jaar drie maanden zijn afgekickt, evenmin als terminale en psychiatrische patiënten of illegalen.

Dit staat te lezen in het 'Basisdocument voor een onderzoek naar de effecten van gecontroleerde verstrekking van heroïne in Nederland', dat eind februari aan het ministerie van WVS is aangeboden. Het document is opgesteld door de gezondheidsdiensten van Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht en de stedendriehoek Apeldoorn, Deventer en Zutphen.

Volgens prof. dr. F. Sturmans, hoofd van de Rotterdamse GGD, kan het ministerie dit onderzoeksvoorstel aan de Tweede Kamer aanbieden, na toetsing door onder andere de geneeskundige hoofdinspectie en het International Narcotics Control Board van de Verenigde Naties.

Om alle effecten van het experiment op wetenschappelijke wijze te meten moeten volgens de gezondheidsdiensten ten minste tweehonderd verslaafden aan de verstrekking deelnemen. Daarnaast komt er een controlegroep van tweehonderd vergelijkbare verslaafden in de bestaande methadonprogramma's. Wil men per stad meten welke uitwerking de verstrekking heeft op de lokale gebruikers, dan heeft men plaatselijk ten minste honderd deelnemers nodig.

Om ervaring op te doen met de heroïneverstrekking zal vooraf een vooronderzoek worden verricht in een van de deelnemende steden. Wordt dit een succes, dan kunnen de andere steden aanhaken. Sturmans sluit niet uit dat Rotterdam daarvoor als eerste in aanmerking komt.

Bij het heroïne-experiment worden drie groepen onderscheiden. De eerste groep krijgt een jaar lang dagelijks heroïne verstrekt. Een tweede groep wordt een half jaar geobserveerd binnen een methadonprogramma en krijgt daarna een half jaar heroïne. Een controlegroep krijgt alleen methadon.

Gebruikelijk is dat alle deelnemers aan het experiment vooraf wordt gevraagd of ze bereid zijn mee te werken, om daarna op basis van loting ('randomiseren') over de experiment- en controlegroep te worden verdeeld. Deze methode raden de gezondheidsdiensten in dit geval af.

Sturmans: “We verwachten dat alle deelnemers zich melden in de hoop voor heroïneverstrekking in aanmerking te komen. Krijgen ze alleen methadon, dan verliezen ze hun interesse voor het experiment.” Selectie van deelnemers zal daarom vooraf op basis van de dossiers van de drugshulpverlening worden gedaan. Daarna wordt via loting bepaald wie aan de verstrekking deelneemt. De controlegroep van 'methadonklanten' wordt er niet over ingelicht dat ze deelnemen aan het experiment.

Verslaafden geven meestal aan dagelijks 1.000 milligram heroïne te gebruiken, waarbij de zuiverheid van 'straatheroïne' 35 procent is. Daarom krijgen alle deelnemers bij aanvang 350 milligram zuivere heroïne toegediend, welke dosering in enkele weken mag oplopen tot een individueel bepaald maximum. In Zwitserland, waar de eerste gegevens van een verstrekkingsexperiment nu bekend zijn, is volgens Sturman komen vast te staan dat iedere verslaafde een bovengrens heeft, waarna extra heroïne niets meer aan de roes toevoegt. De benodigde heroïne zal in één keer worden besteld bij een farmaceutisch bedrijf. Geschat wordt dat de totale kosten van produktie, vervoer en gebruiksmiddelen voor vijftig cliënten jaarlijks 250.000 gulden bedraagt.

De heroïne wordt in rookbare en injecteerbare vorm aangeboden, waarbij de laatste toedieningsmethode ontmoedigd wordt. Omdat heroïne slechts zes tot acht uur werkzaam is, kunnen de deelnemers het driemaal daags gebruiken in een speciale kliniek. Elke kliniek heeft vijftig klanten, en verstrekt derhalve jaarlijks zo'n 50.000 maal heroïne. De klinieken zijn voorzien van een wachtruimte, een rookruimte en een injecteerruimte, die voor ten hoogste vijf gebruikers tegelijk toegankelijk zijn. Na de 'avondbehandeling' krijgen de deelnemers methadon mee voor de nachtelijke uren.

De kliniek moet afdoende beveiligd zijn tegen niet-geselecteerde verslaafden die zich komen melden voor heroïne. Omdat een grote voorraad heroïne “een ongewenste aantrekkingskracht” heeft, zal de apotheek van de kliniek slechts een voorraad van twee tot drie weken in huis hebben, die wekelijks wordt aangevuld door de producent.

De bereiding van injecteerbare heroïne is niet eenvoudig, omdat het middel bij hogere temparaturen uiteenvalt in morfine en azijnzuur. Gevriesdroogd poeder in ampullen verdient de voorkeur, maar dit is een kostbaar procédé. Kant-en-klare injecties zijn niet lang houdbaar.

Rookbare heroïne is eenvoudiger te bereiden. Een werkgroep buigt zich nu over de vraag of de heroïne zal worden versneden met talk of coffeïne. In tegenstelling tot Zwitserland willen de gezondheidsdiensten de heroïne niet in sigaretten impregneren, omdat dit medische risico's met zich meebrengt en een inefficiënte toediening is. Ook zal, in tegenstelling tot het Zwitserse voorbeeld, de heroïne steeds binnen de muren van de kliniek worden gebruikt zodat ze niet naar de zwarte markt wegsijpelt.

De rookruimtes geven enkele complicaties. Vijf verslaafden die gelijktijdig in een kleine ruimte roken, inhaleren elkaars heroïnewalm. Sturman: “Dan wordt het onduidelijk hoeveel er precies gebruikt wordt, terwijl het voor het toeziend personeel niet goed is om mee te roken. Er moet dus een grote afzuiginstallatie komen, of de heroïne zou zo moeten worden gerookt dat er weinig verloren gaat.”

Een groot deel van de heroïneverslaafden is polydruggebruiker. Cocaïne en amfetamine worden gebruikt om de 'heroïneflash' te verdiepen en de passiviteit te doorbreken. Alcohol en benzodiazepines dienen als surrogaat- heroïne als er geldtekort is.

Sturmans onderkent dat het roken van cocaïne (crack) een bijkomend probleem vormt. “Maar de opkomst van cocaïne maakt dit experiment niet overbodig. Het is niet zo dat je een oude ziekte niet meer moet behandelen omdat een nieuwe ziekte is opgekomen.” Tevens zijn er volgens Sturmans in Zwitserland aanwijzingen gevonden dat door heroïneverstrekking de behoefte aan andere middelen terugloopt. Andere drugs dan heroïne zullen in dit experiment in elk geval niet worden verstrekt.

Doel van het experiment is na te gaan hoe het lichamelijk en psychosociaal welzijn van de deelnemers door de heroïneverstrekking wordt beïnvloed en welke invloed er is op overlastgevend- en crimineel gedrag.