Werkgeversvoorzitter beticht bedrijven van discriminatie

DELFT, 23 MAART. In het Nederlands bedrijfsleven wordt op grote schaal gediscrimineerd bij het aannemen van personeel. Dit heeft werkgeversvoorzitter A. Rinnooy Kan gisteren gezegd op een Nederlands-Duitse conferentie over de 'integratie van allochtonen in de samenleving'. Hij verwees daarbij naar een enkele maanden geleden gepubliceerd onderzoek van de ILO (International Labour Organisation), waaruit bleek dat die discriminatie in Nederland sterker is dan bijvoorbeeld in Duitsland.

Rinnooy Kan toonde zich desondanks nog steeds een fel tegenstander van een verplichting voor bedrijven om hun allochtone personeel te registreren. Hij stelde voor om alleen die ondernemingen tot registratie te verplichten, die in discriminatie volharden - iets wat door de ondernemingsraad kan worden vastgesteld. Verder zouden de ondernemingen in sociale jaarverslagen moeten rapporteren over hun inspanningen om allochtonen in te schakelen.

De conferentie, die donderdag en vrijdag te Delft werd gehouden, is een initiatief van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken en zijn vroegere Nederlandse ambtgenoot Kooijmans, naar aanleiding van een geruchtmakend onderzoek van enkele jaren geleden waaruit bleek dat de Nederlandse jeugd negatief over Duitsers dacht. Ze zal jaarlijks gehouden worden, met telkens een ander thema.

Deze eerste keer waren Duitse migrantendeskundigen naar Delft gekomen om Nederlandse collega's te ontmoeten en blijkbaar waren veel van de Duitsers afgereisd in het besef dat het in hun land allemaal veel slechter was dan in Nederland. “Ik werk in een ontwikkelingsland”, zei een van hen ter introductie van zichzelf. Hij wees op Nederlandse programma's die door zijn organisatie werden geïmiteerd.

“Wij zijn nu eenmaal twintig jaar vooruit in deze zaken”, reageerde directeur I. Akel van het Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB). Hij onderstreepte het belang van de Nederlandse verworvenheden op het gebied van de rechtspositie van immigranten: lokaal stemrecht, de mogelijkheid van een dubbele nationaliteit en een uitgebreide antidiscriminatiewetgeving. Kwesties waar het NCB zich altijd zeer voor heeft ingezet. Duitsers bogen deemoedig het hoofd.

De Nederlandse schrijver S. Sanders, een van de sprekers, was de eerste die er genoeg van kreeg. Hij zag weinig reden voor zelfgenoegzaamheid, al was het maar omdat de Duitse problemen met de immigratie van een heel andere schaal zijn. In zijn lezing hekelde hij vooral het ontbreken van een 'zwarte' middenklasse. 'Amerikaanse toestanden' ontbreken weliswaar in Europa, maar hij had toch sterk de indruk dat een middenklasse in Amerika onder immigranten sneller opkwam dan hier, waar ze door de overheid veel minder aan hun lot worden overgelaten. Zou het kunnen, zo vroeg hij zich af, dat in ruil voor bescherming de aspiraties van immigranten in Europa worden gesmoord en gedood? Hij eiste voor immigranten het recht om niet alleen in te burgeren, maar ook te vèrburgeren - het recht op een 'gut bürgerlich' bestaan.

Daarna brachten de woorden van Rinnooy Kan over zijn discriminerende werkgevers de Nederlandse eigendunk nog een zware slag toe. Maar de genadeklap werd toegediend door de Berlijnse senaatsgedelegeerde voor immigranten, B. John (CDU). Hoe zou het toch kunnen, zei ze, dat in Nederland ondanks al die fraaie rechtspositionele regelingen, de werkloosheid onder allochtonen toch bijna twee keer zo hoog is als in Duitsland?

Het was een vraag die tot het einde van de conferentie onbeantwoord bleef. Terwijl men unaniem van oordeel was dat werk een absolute voorwaarde voor geslaagde integratie is. Van John, die de ambitie uitte om culturele verscheidenheid tot een bijzonder kenmerk van Berlijn te maken, tot de Rotterdamse wethouder voor stadsontwikkeling H. Meijer (GroenLinks), die de Duitse aanwezigen vergastte op een nuchtere uiteenzetting over de Nederlandse verzuiling en over de omstreden gedachte dat islamieten op diezelfde wijze zouden moeten emanciperen. Op de vraag hoe hij dacht dat nodige werk voor immigranten te creëren, antwoordde hij: “Ik weet het niet”. werk vinden kan in ieder geval niet zonder enigermate geïntegreerd te zijn, stelde Meijer.

Uiteindelijk, meende de voormalige Duitse ambassadeur in Nederland, O. von der Gablentz in een slotwoord, was op de conferentie gebleken dat het probleem van de integratie van immigranten ingehaald wordt door een veel groter probleem: de werkgelegenheid in het algemeen. De Nederlands-Duitse conferentie van volgende jaar zal daarom, zo zei hij, naar alle waarschijnlijk aan 'de toekomst van het werk' gewijd zijn.