Vreemde religieuze vogels

LAWRENCE WRIGHT: Saints & Sinners

288 blz., Vintage 1995 (Random House 1993), ƒ25,55

Wie de afgelopen weken het begin van de Amerikaanse verkiezingen heeft gevolgd, wordt net als bij vorige gelegenheden met zijn neus op de rol van het geld gedrukt. Geld - niemand maakt er daar ginds een geheim van hoe belangrijk het is als een kandidaat over veel ervan kan beschikken. Maar ook de godsdienst en het beroep erop dat door sommige deelnemers aan de race naar het Witte Huis wordt gedaan, mogen er wezen. Geld en godsdienst als een onheilige alliantie, kunnen we wel zeggen, in de zin van: nadelig voor democratische verhoudingen in de samenleving. Ze brengen manipulatoren aan de macht. Wie, om een voorbeeld te nemen, Pat Buchanan op het tv-scherm hoort redeneren (als je het tenminste nog redeneren kunt noemen) ziet een man, die weet hoe je godsdienst kunt gebruiken om de ziel des volks te bespelen.

Wat is dat toch voor een wonderlijke verhouding die Amerikanen hebben tot geld en godsdienst? Een tipje van de sluier wordt opgelicht door de verschijning van een pocket-editie van Saint and Sinners van de hand van Lawrence Wright, een journalist. Hij begint wat breder, door eerst te vertellen hoe hij tot het schrijven van zijn boek is gekomen. Voor zijn ogen zag hij hoe godsdienst het leven van mensen transformeerde, mooi dus, maar tegelijk liet het gezond verstand, dat zich tegen religieuze overgave verzette, hem niet los.

Uit dit dilemma als startpunt gaat hij de Amerikaanse religieuze wereld in, onderzoekt daar het leven van een aantal prominenten en doet van dit onderzoek verslag in een uiterst intrigerend relaas over dominees, evangelisten en priesters.

Drab

Het minst interessante is de spirituele zoektocht van Wright zelf. Je krijgt bijna de idee dat daar zelfs de stok van maakt, die hem in staat stelt in het leven van anderen te roeren tot de drab boven komt. Het kan bovendien zonder, je hoeft je als journalist niet te excuseren voor de vraag wat ze bezielt, deze predikers, deze buitenbeentjes, deze religieuze supermannen; waarop hun aantrekkingskracht berust en hoe ze massa's (Amerikanen nog wel!) zover krijgen dat die bereid zijn geld en goed te offeren op nu net dat ene altaar van deze ene prediker.

“Als u, die vanmorgen luistert, elk 1 dollar opstuurt naar mijn adres, dan verricht u een Gode welgevallig werk, u steunt het herwinnen van de wereld voor God.” Zo gaat dat ongeveer, weet ik uit eigen ervaring, zowel op de radio als op tv. Als op zo'n morgen 100.000 mensen een dollar overmaken, is dat aardig meegenomen. En verschijnt de evangelist vijf keer in die week op het scherm met vijf keer deze opdracht, dan stampt hij binnen enkele jaren een religieus imperium uit de grond, met eigen gebouwen, eigen opleidingsinstituten en een eigen radio- en tv-station. Ik heb het dan over Jimmy Swaggart, verreweg de in zijn vroomheid en boosaardigheid meest raadselachtige maar ook meest interessante van de door Wright besproken religieuze reuzen.

Niet allemaal zijn het Swaggarts.

Voor Wright is een priester die wegens zijn bezwaar tegen de erfzonde-leer overhoop ligt met het Vaticaan, alleen al om die reden een fenomeen.

De naam van de man, Mathew Fox, mag in Amerika nog zo bekend zijn, de meesten van ons zegt ze niets. Onenigheid met het Vaticaan is voor ons niets bijzonders, we zijn daar in Europa allang mee vertrouwd. Europa komt er, ik merk dat in het voorbijgaan op, bij vrijwel alle Saints en Sinners bekaaid af: Europa is een synoniem voor 'zonder God en godsdienst'.

Ritueel

Wat Mathew Fox betreft, er kleeft aan zijn doen en laten ook wel iets spectaculairs, iets dat verder gaat dan ruzie met Rome. Hij wil dat de religie (lees telkens: christelijke religie) weer scheppingsreligie wordt; wij moeten met beide benen op de aarde terugkeren, want daarvan zijn we een deel.

Om dat te vieren moeten twintig mensen met hem mee naar een eilandje voor de Schotse kust en daar een ritueel ondergaan dat ze weer met de aarde zal verenigen. Geheel naakt moeten ze, achter elkaar aan, door een nauw poortje een soort sauna in kruipen, waarin Wright zelf, die de ceremonie per se wil meemaken, het bijna besterft van de hitte. Ik weet niet of dit nu geloof is, zegt hij, als alles achter de rug is, maar een spirituele transformatie was het wel, ik ben er een ander mens van geworden.

Matthew Fox hoort thuis in de categorie 'vreemde vogels', evenals Will Campbell, een enigszins irregulier predikant van de Southern Baptists. In de Verenigde Staten is dat een van de grootste kerkgenootschappen (bij ons in Nederland zijn de Baptisten klein in getal en heten ze daarom een sekte) met miljoenen - veelal conservatieve - leden. Wat hem vreemd maakt in eigen kring is niet zozeer zijn leer (hij durft eigenlijk niets te ontkennen wat de kerk voor waar houdt), maar zijn balorig gedrag tegenover het kerkelijk instituut: een onzin-ding dat niet past bij Baptisten. En vooral zijn geweldloze strijd tegen segregatie en racistische vooroordelen. Madalyn Murray O'Hair is de vrouw die het klaarspeelde dat het schoolgebed in 1963 door het Hooggerechtshof voor ongrondwettig werd verklaard.

Dan ben je inderdaad een vreemde vogel in grote delen van Verenigde Staten.

Tot op vandaag gaat de strijd verder, nog steeds over de interpretatie van de grondwet, waarmee ook mevrouw O'Hair om de oren werd geslagen: freedom of religion kan toch niet betekenen freedom from religion? En dan is er ook nog een even vriendelijke als slimme aanvoerder van de Satanskerk, Anton Lavey, die intussen wel - naar eigen zeggen - in God gelooft. Amerika, denk je dan, daar kan alles, ook als het om godsdienst gaat.

Maar nee toch, vreemde vogels zijn overal en vinden overal aanhangers; hoe buitenissiger de stellingname, des te makkelijker blijkt dat vaak te gaan.

“The success of one belief over another has little to do with the apparent craziness of its doctrine”, om een mooie one-liner van Wright te citeren.

Veel mensen zijn al te goed van geloven en daar komt vroeg of laat narigheid van. Verbijstering bevangt de Europeaan als Wright het leven van Walker Riley, de absolute topper onder de predikanten van de tot een keurig kerkgenootschap uitgegroeide Methodisten-kerk, beschrijft. Riley's First Church - hij was dominee in Dallas - zat elke zondag stampvol. Hij hield prachtige preken, verdiende een dijk van een salaris, met de emolumenten mee zo'n slordige miljoen dollar per jaar. Vergeleken met een methodistisch dorpsdomineetje, dat hoogstens achtduizend dollar krijgt is dat een onvoorstelbaar bedrag.

Maar, zegt een kerkleider uit hun kring, zo zijn we: we belonen onze mensen naar wat ze waard zijn. Kortom, Riley werd op handen gedragen door zijn parochie, en van zijn kant raakte hij haar met zijn persoonlijke toespraken tot diep in haar ziel.

Op een nacht wordt Riley's vrouw gewurgd, men vond haar in de garage van de predikantswoning. Drie dagen later doet Riley een mislukte poging tot zelfdoding, met achterlating van een briefje waarop staat dat hij geplaagd werd door een demon die hem aanspoorde dingen te doen die hij niet wilde, en dat hij moe was van het aldoor maar goed-moeten-zijn. Langzamerhand wordt duidelijk dat niemand anders dan Riley zelf de aanslag op zijn vrouw gepleegd kan hebben.

Bij het verhoor komt bovendien uit dat hij al lange tijd een verhouding heeft met de dochter van een methodisten-bisschop. Wat een verhaal, denkt de lezer. Maar het laat zich nog enigszins verklaren. Tot 'man Gods'

gemaakt door zijn parochie, zonder respijt of adempauze gedwongen op zijn tenen te lopen, voelt hij zich overvraagd: hij is geen man Gods, en met een onmenselijke krachttoer probeert hij aan zijn lot te ontkomen.

Berouw

De geschiedenis van Walker Riley is nog niets vergeleken bij de beschrijving van de opkomst en ondergang van Jimmy Swaggart en zijn tv-imperium. Het hoofdstuk dat Wright daaraan wijdt, leest als een detective. Hoe Jimmy Swaggart in Texas opgroeide, in een nowhere-dorpje, hoe zijn ouders overgingen naar de Assemblies of God, een soort Pinkstergemeente die zich razendsnel uitbreidde over de Verenigde Staten. Hoe hij samen met zijn neef Jerry Lee Lewis (zeker, de Jerry Lee) rock 'n' roll, zo niet uitvond dan toch leerde beheersen. Het tweetal trok rond en trad op, net als en vrijwel gelijktijdig met een vrachtwagenchauffeur genaamd Elvis Presley, die van huis uit ook al tot de Assemblies of God behoorde. Jerry en Elvis werden rock-zangers tot ze erbij neervielen, Jimmy werd prediker.

Hij kreeg succes, mocht op de tv, deed het daar zo goed dat hij op nog meer netten mocht verschijnen en stichtte vervolgens zijn imperium.

Maar niet dan nadat hij zijn concurrenten eruit had gewerkt. De ene (Gorman) door geruchten te verspreiden dat hij overspel had gepleegd. Gorman was een kleine vis waar Swaggart niet veel moeite mee had. De ander werd pootje gelicht door diens affaire met Jessica Hahn aan de grote klok te hangen. Die ander was Jim Bakker, wiens religieus tv-imperium in die tijd het toch niet onaanzienlijke rijk van Swaggart nog te boven ging in grootte, rijkdom en levensstijl. Jim Bakker viel, nog geen jaar later Jimmy Swaggart zelf, betrapt op omgang met prostituées, door niemand minder dan dezelfde Gorman die hij er eerst had uitgewerkt. Berouw mocht even baten, maar toen hij nog eens, twee jaar later, op dezelfde handeling betrapt werd, viel het doek voor Swaggart definitief en donderde zijn imperium in elkaar.

Seks is niet het verwonderlijke. De Amerikanen maken daar gewoonlijk veel kabaal over, maar religieuze voorgangers die het verschil tussen mijn en dijn niet weten, als het om vrouwen gaat, zijn een wereldwijd verschijnsel. Verwonderlijk is veeleer hoe iemand (Swaggart) die elke zondag miljoenen mensen bezweert dat God irreguliere seks met de vreselijkste straffen zal bezoeken, zich tegelijkertijd begeeft in wat hij toch als grote zonde moet opvatten, en dat dan nog zo onbeschermd doet, dat hij gemakkelijk te betrappen was. Swaggart deed aan zelfdestructie, zegt Wright.

Masker

Maar waarom? Wright geeft daar een, mijns inziens, goede verklaring van.

Het zijn niet zozeer de dollartekens die in de ogen van Swaggart gestaan moeten hebben, al wil iemand die veel heeft kennelijk nog meer ontvangen.

Maar het masker, dat religieuze voorgangers dragen om voorganger te zijn, daarin moeten we het volgens Wright zoeken. Sjamanen zetten het masker van een godheid op, om op die manier over de macht van de god te kunnen beschikken. Achter het masker zijn ze zichzelf. Of - de andere mogelijkheid - kunnen ze niet meer zichzelf zijn, verkrampen ze door de innerlijke tegenspraak die ze ervaren tussen wat ze zijn en wat ze zouden moeten zijn of geacht worden te zijn in het oog van de gemeenschap waarin ze als 'man Gods' optreden.

Swaggart ging spelen wie hij niet was, eerst oprecht, nemen we aan, totdat het niet meer ging en toen moest hij toch verder. Evenzo Riley.

De parochies of gemeentes die van hen grootheden maakten die ze niet konden wezen, zijn mede schuldig aan het lot van deze mannen. Dat lijkt mij een betere verklaring dan dat godsdienst onzinnig is of onzinnig maakt. Zonder twijfel is religie een markt van gekkigheid. Maar daarin onderscheidt ze zich niet van andere markten, als ik denk aan de gekten op, bijvoorbeeld, de markt der filosofen of de geldmarkt.