Voorportaal van de hel

HANS VISSER (red.): Perron Nul, opgang en ondergang

112 blz., Meinema 1996, ƒ21,50

Het is niet toevallig dat dominee Hans Visser zich in zijn houding tegenover de overheid spiegelt aan Paulus en Daniël. De een werd onthoofd, de ander voor de leeuwen geworpen.

En het is ook niet toevallig dat hij tot deze ontboezeming komt als hij aan een gesprek met de Rotterdamse burgemeester Peper terugdenkt. Een man die vaak tegen zijn topambtenaren moet hebben gezegd: “Verlos me van deze ruzieachtige priester”. Het is een mengsel van engagement, afkeer van macht en status quo, humor, organisatievermogen en ijdelheid dat dominee Visser tot zo'n markant figuur op het Rotterdams toneel heeft gemaakt. Een herder die zijn verwilderde junkiekudde heeft bijeengeroepen uit geloof in de verworpenen der aarde, maar die ook gretig het conflict en de martelaarskroon zoekt.

Meer dan een jaar na de sluiting van zijn gedoogzone Perron Nul kijkt Visser in Perron Nul, opgang en ondergang terug op de jaren 1987-1994. Het relaas van zijn politieke strijd is daarin het minst boeiend. We kunnen sympathiseren met Visser en de zijnen - de hulpverleners, het middenkader van de politie en de linkervleugel van de gemeenteraad. We kunnen treuren over de wijze waarop hij de strijd verloor tegen de machten van het duister: de zakenwereld, politietop en Coolsingel-ambtenaren. Maar toch lees ik dat liever van iemand die geen partij was. Zeker waar sympathisanten Visser tegen kritiek in bescherming nemen, wordt de bundel ronduit vermoeiend.

Wel interessant zijn de observaties van Visser over zichzelf, zijn medewerkers en Perron Nul, dat van 'rustpunt' veranderde in een onhandelbaar monster. Want al hebben Peper en consorten het project gesaboteerd, Visser verheelt niet dat het Perron ook op eigen kracht uit de hand liep.

Perron Nul, zo schrijft hij, was het voorportaal van de hel. In 1987, als het project begint, lijkt het hem nog een goed idee junkieleed zichtbaar te maken. Ecce homo. Houdt de Rotterdammers een spiegel voor. Een paar keetjes waar de verslaafdenscene van station CS rondhangt, koffie drinkt, cursussen bloemschikken of schilderen volgt en Sinterklaas viert. Een mooie 'vindplaats' voor de hulpverlening ook. “Wees jezelf. Wij willen niet aan je sleutelen. Zorg dat je niet dieper zakt”, zijn Vissers woorden bij de opening.

Dumpplaats

Maar voor de politie is Perron Nul al snel de ideale dumpplaats voor marginalen. En na 1990 begint de toeloop van verslaafden aller landen. Gaandeweg neemt de drugsmafia zijn project over. Het roken van cocaïne komt op, de 'pitbull onder de drugs'. De relaxte heroïnesfeer maakt plaats voor de geobsedeerde agressie van de crackroker, een fatale ontwikkeling in combinatie met de wapenarsenalen die veel verslaafden meedragen. Er vallen twee doden door steekpartijen.

De taxichauffeurs gaan met honkbalknuppels en jerrycans benzine in de aanval, gevolgd door de mariniers.

De Rotterdammers stemden daarmee in, want Perron Nul is een metafoor geworden voor onveiligheidsgevoelens. Van oplossing wordt het project tot probleem.

Ergens in 1993 constateert Visser verbaasd dat hij in de avonduren gewapend met een eind hout rond Perron Nul doolt om deze of gene eens goed af te rammelen. De patron van de gedoogzone krijgt van zijn kudde bakstenen of bierflessen om de oren, om daarna spitsroeden te lopen tussen vijandige taxichauffeurs. Hij ondergaat een metamorfose van goedwillend herder tot straathoekwerker.

“Mijn taalgebruik wordt grover”, constateert hij.

Vrijwilligers blijken vaak onbetrouwbaar. De penningmeester verdwijnt met de kas, een ander doet zich bij de bezoekers voor als geheim agent, weer een ander koopt kratten cola voor de bar, giet die leeg en incasseert het statiegeld voor de flessen.

Een vriendelijke agent blijkt in het geheim drugshandelaar. Al weten zijn medewerkers enkelen voor de poorten van de hel weg te slepen, in de praktijk blijkt de al te grote concentratie van verslaafden tot algemene verloedering te leiden. Voor de dominee is de onverschilligheid op het Perron na de eerste slachtoffer van een steekpartij een zeer pijnlijke herinnering.

Visser heeft er zich nu bij neergelegd dat sommigen te diep zijn gezakt om zelfs in zijn voorportaal van de hel te worden toegelaten. Gedwongen afkicken vindt hij voor hen niet zo'n slecht idee. De Pauluskerk, zijn tweede gedoogzone, heeft na de val van Perron Nul een streng pasjesbeleid.

Op de vraag of een 'open drugsscene' überhaupt gewenst is, geeft de dominee geen duidelijk antwoord. Zolang er grote verschillen zijn in het Europese drugsbeleid, is een aanzuigende werking onvermijdelijk, zo hebben Zürich, Maastricht en Rotterdam geleerd. En een vrijstaat voor junkies creëert nu juist een subcultuur van onrecht, uitbuiting en geweld die Visser in de grote wereld zo hartstochtelijk bestrijdt.

Evenmin valt uit te sluiten dat het Perron een grote bijdrage heeft geleverd aan de opkomst van extreem-rechts in Rotterdam. De dominee constateert droevig dat de mensen slechts bang worden van een blik in de goot. Rotterdammers hebben geen behoefte aan de spiegel die de dominee hun voorhoudt. Zeker niet elke dag, forensend van kantoor naar woonerf. Nu wordt de junkiescene ook in Rotterdam weer zoveel mogelijk uit het blikveld van de burgers gehaald. En zelfs de dominee lijkt het daar mee eens.