Verzetsmuseum

Niets is zo geschikt om het onderwijs in de grammatica aanschouwelijk te maken als de taal van de bijbel. Neem de oorlogsverklaringen die de vijanden van Israel (Amalekieten, Filistijnen en al die andere woeste voorzaten van Saddam Hussein) in het Oude Testament om de haverklap uitgeven: geen rustige lectuur, bepaald niet, maar geschreven door lieden die hun grammatica onderhielden. De dagorders die de oud-Iraakse troepen kregen waren gesteld in instructies, waarin de onderschikkende voegwoorden en aanvoegende wijzen met evenveel zorg als punctualiteit waren gekozen. “Laat ons hen uitroeien, opdat hun naam niet meer worde genoemd”.

Dit wordt geen grammaticale verhandeling, maar een bespreking van een boekje van rabbijn Awraham Soetendorp, waarin op een leerzame manier moeilijke archaïsche zinsconstructies (in oorlogsverklaringen) en oude vormvaste spreuken door de spreektaal lopen. Soetendorp heeft op een aantal christelijke scholen lezingen over geloofsvervolging en over oefening in tolerantie gehouden, die zijn gebundeld onder de titel Er was een rabbijn in de klas (98 blz., Uitgeverij Callenbach, ƒ19,95). Awraham Soetendorp (zoon van rabbijn Jacob Soetendorp) is een bedreven didacticus, die de geschiedenis van de jodenvervolging en nog meer recente soorten van genocide in gereduceerde vorm en met gepaste sobere terughoudendheid in een voor scholieren bevattelijke taal vertelt. Een van de uitgangspunten in zijn schoolpraatjes is een uitspraak van Martin Luther King, dat “voor het slagen van het kwaad niets anders nodig is dan dat goede mensen niets doen”.

Soetendorp doseert zijn geschiedenis van de volkerenmoord mondjesmaat, om te voorkomen dat hij zijn ongetrainde gehoor overvoert: gruwelijke voorbeelden van duivelse moorden wisselt hij af met stichtende verhalen over mensen die zichzelf overtreffen en met een niets ontziende kwaadheid in actie komen tegen onrecht en geweld. Het beste voorbeeld daarvan is de Februaristaking van 1941, het meest indrukwekkende toonbeeld van Amsterdamse woede en verzet tegen de jodenvervolging, waarvan Abel Herzberg schreef: “Dit onder Duitse bezetting te hebben begrepen en bewerkt, strekt het Nederlandse volk tot onsterfelijke eer.”

Dinsdag de 25ste februari 1941 is niet alleen een dag om demonstratief te herdenken maar vooral om na te vertellen. De vrijheid, schreef Evert Werkman in een van zijn herdenkingskronieken in Het Parool, “ging in het rood gekleed”. Wouter Kalf, Willem Kraan, Piet Nak en andere communistische arbeiders, gingen die dag al vroeg op pad om het spoorwegpersoneel, de mannen van de tram en de reiniging, van het GEB en Publieke Werken, maar ook van de scheepswerven, van Fokker, van Draka, van Kromhout en Verschure, van Hollandia Kattenburg en andere bedrijven op te wekken het werk neer te leggen uit protest tegen 'de eerste pogrom die Amsterdam had beleefd' (Werkman). Die pogrom was drie dagen eerder gehouden, op zaterdag 22 februari toen ruim vierhonderd jonge joodse mannen werden opgepakt en naar Duitsland werden gevoerd, en in een vernietigingskamp werden 'tewerkgesteld'.

Het antwoord van Amsterdam op die arrestatie (geen mens wist toen nog wat die vierhonderd jongens zou overkomen) was de geschiedenis die sindsdien bekend staat als de legendarische collectieve verzetsdaad, die we elk jaar herdenken. De algemene staking, die was voorbereid en georganiseerd door de illegale CPN, breidde zich binnen enkele uren uit over de hele stad. H.M. van Randwijk schreef: “Toen geschiedde het dat de bewoners van Kattenburg, de Jordaan en de Eilanden hun joodse stadgenoten te hulp kwamen en de fabrieken leeg liepen, de trams stil stonden en de winkels werden gesloten en hun gordijnen neerlieten.” Van Randwijk zag het verhaal van de staking als een oudtestamentisch epos: En het geschiedde op de vijfentwintigste dag van de tweede maand van het jaar 1941.

Zwijgend maar in het volle besef van wat het deed, liep het werkend volk dat de trams en de fabrieken in Amsterdam tot stilstand had gebracht over Damrak en Rokin. Overvol waren de ponten op het IJ, die de mannen van de overkant terugvoerden naar de stad en als een vonk sloeg het stakingsparool over. Amsterdam had de nationaal-socialistische terreur lang genoeg aangezien, maar nam het nu niet langer. Twee dagen duurde de staking, twee dagen woedde de verzetsdrift, totdat ze door geweld gebroken werd (Werkman).

Terwijl ik, door Awraham Soetendorp geïnspireerd, opnieuw Ben Sijes' magistrale hoofdwerk over de Februaristaking doorbladerde, bedacht ik dat het op een schopstoel zittende Verzetsmuseum in Amsterdam er nu heel wat beter zou hebben voorgestaan als het zich van het begin af het Museum van de Februaristaking had genoemd. Als het zich meteen aan de herdenking van dat hoofdmoment uit de Nederlandse geschiedenis had gewijd, zou het zich ongetwijfeld op een hoger professioneel niveau hebben ontwikkeld en niet de verwijten van dilettantisme over zich hebben afgeroepen. Het lijkt trouwens nog niet te laat om een permanente tentoonstelling over dat onderwerp in te richten en daaraan het (geprofessionaliseerde) Verzetsmuseum - 'amateuristische hobby van een aantal oude ex-verzetsmannen' - dienstbaar te maken.

Awraham Soetendorp geeft in zijn boekje een versie van de geschiedenis van 25 februari 1941, die een onbekende achterzijde van de geschiedenis laat zien. De Februaristaking, aldus Soetendorp, mag een succes heten; “nog nooit was ons volk zo eensgezind in woede en verzet. Maar er werden als represaille 400 jongens opgepakt en regelrecht naar het kamp Mauthausen gebracht, waar bijna niemand levend uitkwam. Mijn vader kreeg de opdracht het lot van hun zonen bij de ouders te vertellen en in elke straat waar hij was geweest werd gehuild.”

Het is een geserreerd verhaal, met een contrasterend slot dat zelfs de meest onwetende geschiedenisleerlingen wel willen onthouden. Het enige dat er niet goed aan is, is de chronologie. De jongens die naar Mauthausen werden gesleept waren drie dagen eerder (zie boven) al van hun bed of van de straat gelicht. Juist die maatregel vormde de druppel die de emmers in Amsterdam deden overlopen. Van represaille was toen nog geen sprake.