Uitstel EMU is onnodig en riskant

De twijfel over de Europese monetaire unie groeit. De afgelopen week voedden achtereenvolgens Kok, Van den Broek en Andriessen de scepsis. Alman Metten waarschuwt voor de gevolgen van uitstel. De gemaakte afspraken bieden voldoende ruimte om met de EMU door te gaan.

Dit is een bekorte versie van een toespraak die hij gisteren heeft gehouden op een conferentie over de EMU in Amsterdam

Er dienen zich nu twee cruciale vragen aan: overleeft de Economische en Monetaire Unie (EMU) de scepsis, en soms zelfs de weerzin, die in sommige lidstaten om zich heengrijpt? En zo ja, kwalificeren zich voldoende landen om met een EMU te beginnen?

De eerste vraag is het moeilijkst te beantwoorden. Formeel is er voor 13 van de 15 lidstaten geen probleem: bij de ondertekening van het Verdrag van Maastricht hebben deze zich reeds verplicht deel te nemen aan de EMU wanneer een meerderheid van de lidstaten zal oordelen dat ze aan de toelatingscriteria voldoen. Een opt-out, dat wil zeggen een besluit om niet mee te doen, terwijl men wél aan de criteria voldoet, heeft slechts Groot-Brittannië. Denemarken, ten slotte, beschikt over een zogenaamde opt-in, het mag zichzelf aanmelden als het mee wil doen.

De hele discussie over de vraag of Duitsland wel mee wil doen aan de EMU als bepaalde andere landen toegelaten zouden worden, is dus niet gebaseerd op het Verdrag, en daarmee vooral op speculaties. Verdragsbreuk van Duitsland (of enige andere lidstaat) op dit cruciale onderwerp is daarmee niet onmogelijk, maar wel zéér onwaarschijnlijk.

Het niet-doorgaan van de EMU zou niet alleen een dramatische monetaire weerslag hebben in de vorm van speculatieve crises, maar zeker ook een economische en politieke. De Duitsers zijn zich meer dan wie ook bewust van de politieke en economische consequenties van de EMU.

De EMU afblazen door het Verdrag naar de prullenmand te verwijzen is dus niet realistisch. Alsnog wijzigen van het Verdrag is weliswaar op vele punten noodzakelijk, maar zal juist waar het pijn doet onhaalbaar blijken, omdat de belangen te zeer uiteenlopen om de noodzakelijke unanimiteit op korte termijn te bereiken. Rest slechts één oplosing: de bevolking de dilemma's eerlijk presenteren en aan de Verdragsverplichtingen blijven voldoen.

De tweede vraag, of wel voldoende lidstaten mee zullen kunnen doen, brengt ons bij de haalbaarheid van de criteria van 'Maastricht'. De huidige “groeipauze”, zoals de Europese Commissie die optimistisch blijft bestempelen, heeft alom de twijfel daarover doen toeslaan. Volgens het Verdrag start de EMU op 1 januari 1999 met de lidstaten die aan de voorwaarden voldoen, of dat er nu 'voldoende' zijn of niet.

De belangrijkste toelatingscriteria zijn niet een begrotingstekort van 3 procent BNP en een overheidsschuld van 60 procent BNP, zoals van Duitse zijde voortdurend wordt gesuggereerd. Het Verdrag spreekt namelijk over een “voorzien of feitelijk overheidstekort” dat de 3 procent BNP niet overschrijdt, tenzij het “in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de (3 procent BNP) benadert”, òfwel, als de overschrijding van de 3 procent BNP slechts van uitzonderlijke en tijdelijke aard is en dichtbij de 3 procent BNP blijft. Wat betreft de overheidsschuld zegt het Verdrag dat zij de 60 procent BNP niet mag overschrijden, tenzij zij in voldoende mate afneemt en de 60 procent in een bevredigend tempo nadert.

De beoordeling of een lidstaat aan deze criteria voldoet is geen wetenschappelijke maar zal een politieke moeten zijn - zo is het in het Verdrag vastgelegd. De politieke beoordelingsmarge zit onder andere in het hanteren van gerealiseerde cijfers of voorspellingen, in het bepalen van wat een 'aanzienlijke en voortdurende afname' is, wanneer een percentage de 3 procent nadert of er dichtbij blijft (4 procent?, 3,5 procent?, 3,2 procent?), wanneer er sprake is van 'uitzonderlijk en tijdelijk', wanneer van 'in voldoende mate' en wanneer van 'een bevredigend tempo'.

Dit alles moet bepaald worden voor 13 lidstaten en dat met een gekwalificeerde meerderheid van die lidstaten, op voorstel van de Europese Commissie. Een eerste serieuze test vond plaats in juli 1994, toen de Commissie concludeerde dat Ierland géén buitensporig tekort had omdat het zijn overheidsschuld wist terug te brengen van 97,0 procent naar 84,6 procent in twee jaar tijd (1993-1995). De ministers van Financiën van de lidstaten accepteerden deze zienswijze en onderstreepten daarmee dat bij het criterium 'overheidsschuld' niet slechts het uiteindelijke doel (60 procent BNP), maar ook de richting van de beweging (naar beneden) telt.

De volgende serieuze test heeft plaats in mei van dit jaar, als de Commissie moet beslissen of het Duitse begrotingstekort van 3,6 procent 'uitzonderlijk en tijdelijk' is, en of het 'dichtbij 3 procent' is. De consequenties van de keuze die de Commissie maakt zijn enorm: als zij beslist dat het Duitse tekort, gezien omstandigheden en verwachtingen, nìet buitensporig is, dan betekent het dat een EMU van 9 of 10 landen in 1999 mogelijk wordt.

Beslist de Commissie daarentegen dat het tekort wèl buitensporig is, dan zal het waarschijnlijk betekenen dat Duitsland zelf niet of slechts met zeer uitzonderlijke inspanningen in 1998 voor de toelatingstest kan slagen. En wat voor Duitsland geldt, geldt voor nog een aantal landen.

Mijn eigen oordeel is duidelijk. Het woord 'convergentie' duidt er al op: de bedoeling van de in 1992 vastgelegde criteria was, dat alle lidstaten naar elkaar toe zouden groeien in bepaalde economische prestaties, met de bedoeling dat iedereen zo stabiel en sterk zou worden als Duitsland.

Deze 'convergentie' nu heeft ontegenzeggelijk plaatsgevonden. Zelden, waarschijnlijk zelfs nooit in de geschiedenis van Europa hebben de prestaties van de lidstaten zó dicht bij elkaar gelegen, voornamelijk doordat inflatie en overheidsschuld vrijwel overal gedaald zijn. Alleen bij het criterium 'financieringstekort' gebeurt nu iets opmerkelijks: hier vindt de convergentie plaats op een niveau boven het oriëntatieniveau van 3 procent, doordat ook Duitsland (het ijkpunt zelve) zich boven de 3 procent bevindt!

Wie in 1998, als het uiteindelijke examen moet worden afgelegd, constateert dat veel landen op of onder het Duitse begrotingstekort van 3,6 procent zitten, en vervolgens concludeert dat daarmee de criteria niet worden vervuld, wil de EMU zelf kennelijk niet. Want niet alleen is er bijna geen land in de wereld dat het begrotingscriterium zou vervullen wanneer 'dichtbij 3 procent' opgevat zou worden als 3,1 of 3,2 procent, evenzeer is duidelijk dat een begrotingstekort van 3,6 procent een munt niet instabiel of zwak maakt.

Sterker nog, als Duitsland ergens onder lijdt, dan is het eerder onder een te sterke munt. Dat het Duitse tekort nu op 3,6 procent staat, biedt de EU dus juist een kans om bij alle economische tegenwind de EMU toch te realiseren en zelfs met een groter aantal leden dan anders mogelijk was geweest. Dat is bij uitstek ook in het belang van de sterke-muntlanden als Nederland en Duitsland, want de echte winst van de EMU wordt voor hen pas geïncasseerd, als de landen die onze competitiviteit zouden kunnen ondergraven door devaluaties, in de EMU kunnen worden opgenomen.

Drie lidstaten veroorzaken vanuit dit gezichtspunt nog een probleem: Spanje, Italië en Groot-Brittannië. Dit laatste land vormt wellicht het brandendste probleem: het vervullen van de criteria zou wel tijdig kunnen lukken, maar met het naar eigen keuze eventueel niet-deelnemen aan EMU, zou Groot-Brittannië zijn handen vrijhouden om zijn concurrentiepositie te verbeteren via het wisselkoersmechanisme. Zelfs de mogelijkheid van het gebruik van deze optie is echter voor de andere lidstaten in toenemende mate onaanvaardbaar. Dat roept de vraag op hoelang de Britten in de opt-out kunnen persisteren voordat het leidt tot een lock-out.

Opdat de gemeenschappelijke markt kan overleven, is het uitbannen van het wisselkoersmechanisme als instrument van concurrentie essentieel. Het lijkt mij dan ook onmogelijk dat een significant deel van de Europese Unie buiten de EMU blijft. Het opheffen van de tweedeling zal echter alleen lukken wanneer dit als een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de héle Unie wordt gezien, en niet alleen als een zaak van de achterblijvers.

Resumerend: de EMU afblazen zal zeer zware economische en politieke consequenties hebben. Uitstel van de EMU, waarvoor het Verdrag van Maastricht gewijzigd zou moeten worden, is te riskant en is ook niet nodig. Het Verdrag biedt voldoende ruimte om in 1999 de derde fase van de EMU met voldoende lidstaten van start te laten gaan.

De hardheid van de toekomstige euro zal worden bepaald door het beleid van de Europese Centrale Bank. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat deze hardheid in gevaar komt als de deelnemende landen hun financieringstekort in 1998 niet exact tot 3 procent hebben weten terug te dringen.