Tribune

Als voetballer was Johan Cruijff onnavolgbaar. Voor zijn taalgebruik en logica geldt doorgaans hetzelfde. “Ik ben optimistisch, want realistisch”, zei hij deze week voor het duel tegen PSV. Wie begrijpt de coach van Barcelona?

Kees van der Zwan, neerlandicus, redacteur van het tijdschrift Onze Taal: “Samen met de poëzie-criticus Guus Middag ga ik een artikel over de taal van Cruijff schrijven. Die taal is heel fascinerend, omdat het een naadloos in elkaar overlopende mengeling is van plat en wat chiquer Nederlands. Het artikel heet 'Utopieën wie nooit gebeuren'. Heeft hij ooit zo gezegd in een interview met Frank Snoeks. In dat interview zat ook een prachtig voorbeeld van die verpletterende Cruijff-logica. Snoeks vroeg of Cruijff zich een Spaanse competitie zonder Real Madrid kon voorstellen. 'Ken jij je dat voorstellen?', vroeg Cruijff. Op de ontkenning van Snoeks zei hij vervolgens: 'Nou, dan is het probleem opgelost'. Snoeks met een mond vol tanden, zoals alle journalisten tegenover Cruijff altijd sprakeloos zijn. Omdat Cruijff nooit interviews geeft. Hij doceert en regisseert. Hij alleen is aan het woord. Begrijpen doet volgens mij niemand hem. Ook ik niet.

Een mooi voorbeeld is het interview dat hij had met Barend en Van Dorp, want zo lagen de verhoudingen. Hun vraag luidde: 'Waarom ben je geen bondscoach van Oranje op het WK van 1994'. Cruijff was twee uur aan het woord. Daarna was het allemaal nog steeds volstrekt onduidelijk.''

Rudi van Dantzig, choreograaf: “Voor de NOS-televisie heb ik ooit een choreografie gemaakt waarbij ik me heb laten inspireren door de bewegingen van Marco van Basten. Ook Cruijff was bij het programma betrokken. Aardige man en zeer geïnteresseerd. Hij sprak vooral zijn bewondering uit over de fysieke beheersing van dansers en de intensiteit waarmee zij werken. 'Van de negentig minuten die een voetbalwedstrijd duurt, spande ik me altijd maar een minuut of tien écht in', zei hij. Hij sprak zeer veel, babbelde maar door. En ik maar knikken, hoewel ik hem eigenlijk helemaal niet kon volgen. Ik begreep zijn logica niet, maar weet dat vooral aan mezelf. Want wat weet ik nou van voetbal? Misschien praat hij wel een beetje zoals hij heeft gevoetbald, onverwacht en overrompelend. Met zeker één verschil: als voetballer was hij to the point, in zijn taalgebruik zeker niet.”

Jan Mulder, oud-profvoetballer, columnist: “Ik heb ongeveer veertig centimeter in de hoogte en twaalf centimeter in de breedte nodig - zeg maar zo'n beetje de omvang van mijn columns - om daar iets zinnigs over te zeggen. Dat lukt echt niet in een paar zinnen. Maar toch, eigenlijk kan ik Cruijff doorgaans wel volgen. Ik vind het wel duidelijk wat hij zegt. En laten we eerlijk zijn: geen mens spreekt fatsoenlijk. Zelf ben ik ooit eens door Willem Ruis geïnterviewd, voor een column die hij schreef. Hij had mijn tekst letterlijk afgedrukt. Nou, nou, nou... Wij kunnen natuurlijk heel parmantig over het taalgebruik van Cruijff gaan lullen, maar eigenlijk vind ik het beter om dat niet te doen en gewoon op te hangen. Ja, laten we dat maar doen. Goedemiddag.”

Theo de Boer, neerlandicus, werkzaam bij Van Dale Lexicografie: “Het taalgebruik van Cruijff is onnavolgbaar. Er zit geen logica in en hij spreekt zichzelf voortdurend tegen. Hij gebruikt het woordje 'dus' ook verkeerd. Het vreemde is echter dat iedereen toch altijd naar hem luistert, op een wijze zelfs alsof hij het woord gods verkondigt. Hij zegt de dingen zó, dat het lijkt alsof het de meest logische zaak van de wereld is. Ook ik kan geboeid naar hem luisteren, al moet ik vaak lachen. Het is namelijk altijd onzin wat hij zegt. Maar wel mooie onzin. Virtuoze onzin zelfs.”

Gerrie Mühren, speelde met Cruijff in het 'gouden Ajax' uit de jaren zeventig: “Hij praat nog net zo als vroeger. Ik heb hem altijd begrepen, ook al is hij een spraakwaterval en slaat hij weleens wat bladzijden over. Meestal vind ik wat hij zegt zelfs verbluffend logisch. Ik denk dat dat voor de meeste mensen uit het voetbalwereldje geldt. Van mijn broer Arnold, die onder hem heeft getraind, heb ik overigens wel eens gehoord dat er spelers waren die hem niet altijd konden volgen. Meestal de linksbuitens. Die werden dan van de training gestuurd, want spelers die hem niet begrepen, daar kon Cruijff absoluut niet tegen.”

Liesbeth Koenen, taalkundige: “Niet alleen bij Cruijff, maar bij alles wat over sport gaat, heb ik altijd zoiets van: waar gaat het in hemelsnaam over?”