Rustige roes

Paul Scheffers opmerking (in de krant van 18 maart) dat hasj, de rustige roes, vandaag de dag een cultuurgoed is “in een samenleving die vergeven is van de woeste roes” ('n overdaad aan informatie, 'n grote werkdruk en 'n slechte nachtrust), sluit vrijwel naadloos aan op het schitterend geschreven deel 'Doen en niet doen' in Simon Schama's Overvloed en onbehagen.

De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw. En dan met name op het hoofdstuk over 'De Hollandse jenevermoed' en 'De droge dronkenschap van de tabak'. Het bier was in die eeuw nog volksdrank nummer één, goedkoper dan thee en meer gedronken dan melk, en de kroegen lagen tegenover de kerken. De jenever begon in Schiedam aan zijn opmars en ook de wijnoverslag en het wijntransport bleken weldra winstgevend. Daarbij kwam nog eens dat de tabakshandel van de Westindische Compagnie te lucratief werd om verboden te worden - en het roken werd 'doodnormaal'. Bij tal van gelegenheden werden door de Nederlanders vredespijpen gerookt en, zo schrijft Schama, buitenlanders zagen het als een “verdwaasde verslaving”. Roken werd, aldus Nederlandse artsen, geacht goed te zijn tegen kiespijn en tegen wormen, tegen galstenen en tegen chronische slapeloosheid. Zelfs de moraliserende Jacob Cats, schrijft Schrama, “was niet de enige die suggereerde dat tabak een wenselijk alternatief voor alcohol kon zijn, al waren de autoriteiten het er niet over eens welke van de twee wegens zijn stimulerende of kalmerende werking (cursivering PO) de voorkeur verdiende”.