Presidentskandidaat Bob Dole wil 'gewoon' zijn land dienen; Een machinist zonder programma

Na een reeks mislukkingen krijgt de republikein Robert J.Dole (72) dit jaar zijn laatste kans op het Witte Huis. Maar het redelijke alternatief voor Pat Buchanan en de beste kanshebber tegen Clinton kan nog steeds niet goed uitleggen waarom hij president wil worden.

Als een van de machtigste mannen van het Capitool kent Dole de weerbarstige praktijk van de politiek te goed om te geloven in simpele oplossingen. De voormalige limonadetapper uit Kansas werd een overlever op zoek naar 'the vision thing'.

Bijna geruisloos rijdt een klein konvooi limousines door de slingerende lanen van de begraafplaats. Het is een koude maandagochtend in maart, maar tussen de bomen hangt nog een zurige herfstlucht. In de verte klinkt de fluit van een trein, het grind knerpt op de paden en verder is het stil. Voor een verkiezingscampagne lijkt dit niet de ideale lokatie, zeker niet voor een presidentskandidaat van 72 jaar die de kiezer niet te veel wil herinneren aan de sterfelijkheid van de mens.

Maar in de campagne van Robert J. Dole zijn symbolen van leven en dood, van opoffering en vaderlandsliefde, zeker zo belangrijk als ballonnen, spreekkoren en overwinningsmuziek. Op Oak Ridge Cemetery, in Springfield, de hoofdstad van Illinois, staat het praalgraf van Abraham Lincoln (1809-1865), een wit carré met daarop een obelisk van 35 meter en heroïsche beeldengroepen uit de Amerikaanse burgeroorlog. Lincoln groeide op in bittere armoede, net als Dole, maar werkte zich daaruit op en werd een van de grootste Amerikaanse presidenten.

Naast het monument houden de auto's stil. Portieren zwaaien open, cameraploegen en fotografen stormen door de perkjes en kiezen positie. Begeleid door een handvol lokale hoogwaardigheidsbekleders betreedt Dole het halfduister van het mausoleum.

Hij maakt een rondgang langs de beelden, de in brons gegoten fragmenten van beroemde toespraken van Lincoln en de tombes van hem, zijn vrouw en drie van hun zonen.

Na een kleine twee minuten staat de kandidaat alweer buiten, naast een grote buste van de illustere Lincoln, de eerste Republikeinse president van het land.

Terwijl de verzamelde fotografen en cameralieden hun werk doen wrijft de doorgaans wat norse Dole liefdevol over het glimmende puntje van Lincolns bronzen neus. Het levert een aardig plaatje op voor de televisiejournaals en de kranten, en volgens het lokale bijgeloof brengt het gebaar geluk.

Terwijl hij geduldig poseert kan Dole, die weet dat de Republikeinse nominatie hem al niet meer kan ontgaan, het niet laten met een sardonische blik op de neus te mompelen: “In 1988 heb ik dit ook al geprobeerd”. Het zuurzoete grapje is nauwelijks verstaanbaar en niet tot iemand in het bijzonder gericht. Het lijkt alsof hij alleen zichzelf ermee wil vermaken, en zich er tegelijk mee wil indekken voor het geval de hoofdprijs in november hem toch nog ontgaat. Dole is een overlever, maar de bittere smaak van de nederlaag kent hij als weinig anderen aan de politieke top.

The other thing

Bob Dole - held uit de Tweede Wereldoorlog, senator voor Kansas, al 35 jaar lid van het Congres en dertien jaar leider van de Republikeinen in de Senaat - is een van de machtigste mannen in de Amerikaanse politiek. In de wetgevende machinekamer van het Capitool is hij de machinist. Als leider van de Republikeinse meerderheid loodst hij de wetten door de Senaat, zorgt hij dat er voldoende stemmen voor zijn, dat aarzelende senatoren desnoods met een kleine gunst voor hun staat over de streep worden getrokken. Honderd ballen tegelijk houdt hij in de lucht. En de president, of hij het nu leuk vindt of niet, heeft hem nodig - zonder zijn steun krijgt hij vrijwel niets van de grond.

Maar dat is niet genoeg voor Bob Dole. Naast zijn werk als politiek leider en spil van het Congres is er al zeker twintig jaar wat hij noemt the other thing. Zelf heeft Dole eens gezegd dat er vier soorten senatoren bestaan: zij die president willen worden, zij die zich verbeelden dat ze het al zijn, zij die verbitterd vinden dat ze het hadden moeten zijn en zij die bereid zijn genoegen te nemen met het vice-presidentschap. Dole hoort onmiskenbaar bij de eerste categorie, al jaren, maar het presidentschap is tot nu toe keer op keer onbereikbaar gebleken.

Na een reeks mislukte pogingen krijgt hij dit jaar nog één kans op het Witte Huis, menselijkerwijs gesproken zijn laatste. In 1976 was Dole kandidaat voor het vice-presidentschap als running mate van Gerald Ford, maar ze verloren tegen Carter en Mondale. Vier jaar later ging hij al in de eerste fase van de voorverkiezingen roemloos ten onder - als hij ergens een spreekbeurt kwam houden bestond zijn gehoor hoogstens uit drie lege stoelen, zou hij later met zijn ijzige zelfspot vertellen, en zelfs die liepen weg zodra hij begon te praten. In 1988 had hij aanvankelijk een veelbelovende voorsprong in de voorverkiezingen, maar de toenmalige vice-president George Bush troefde hem af.

Dole, die al zijn hele leven van verkiezing naar verkiezing leeft, gaf echter nooit op. Iedere keer was er genoeg reden om te denken: deze keer is anders, deze keer zal het beter gaan. En dan begon hij weer kris-kras door het land te vliegen om geld in te zamelen, steun te zoeken bij invloedrijke lokale politici en weer een nieuwe route uit te stippelen die moest leiden naar het Witte Huis.

Het scheelde weinig of het was dit jaar weer dramatisch mis gelopen. Beter voorbereid dan ooit, met een fijnmazig netwerk van lokale campagne-organisaties, een indrukwekkende verkiezingskas van meer dan 25 miljoen dollar en de steun van vrijwel het hele partijapparaat, gold hij maandenlang als de grote favoriet voor de Republikeinse nominatie. Tot bij de eerste voorrondes opeens bleek dat het electoraat nauwelijks voor hem warm liep. Politieke amateurs als Steve Forbes en Pat Buchanan vormden opeens serieuze bedreigingen voor een van de meest bedreven politici van na de oorlog, en schilderden hem met succes af als de vertegenwoordiger bij uitstek van de gehate politieke incrowd in Washington. Zijn toespraken waren onsamenhangend en ongeïnspireerd: hij sprak boeren toe in Washingtonse wetgevingstaal die hoogstens begrijpelijk is voor de leden van de subcommissie voor consumentenkrediet, en fabrieksarbeiders alsof ze deskundigen waren in een politiek praatprogramma op de televisie.

En na al die jaren kon de ervaren Dole nog altijd niet goed uitleggen waarom hij nu eigenlijk president wilde worden. “Niet over nagedacht”, antwoordde hij vorig jaar toen zijn biograaf Richard Ben Cramer hem vroeg wat het eerste zou zijn dat hij als president zou gaan doen. “Als ik gekozen word, op mijn leeftijd, kijk, dan ga je nergens heen. Geen programma. Ik ga gewoon mijn land dienen”. Het is misschien een realistische inschatting van de beperkte mogelijkeden die een president heeft om de maatschappij ingrijpend te veranderen, maar kiezers verwachten meer visie en inspiratie van hun kandidaten.

De nuchtere Dole, zo bleek ook dit voorjaar weer, is geen man voor ideologische vergezichten en grote beloftes. Hij noemt zich een degelijke doorsnee conservatief, maar hij heeft moeite met het formuleren van wat George Bush, ook geen held op dat gebied, ooit “the vision thing” noemde. Zich bewust van dat euvel zei Dole eens toen hij met een paar journalisten langs de winkel van een opticiën liep met op de gevel de naam Vision Center: Misschien moet ik het daar eens proberen.

Dole is geen visionair. En hij kent de weerbarstige praktijk van de politiek en het leven te goed om te geloven in simpele oplossingen als een muur aan de grens om immigranten tegen te houden, of een uniform belastingtarief als middel tegen alle kwalen van de Amerikaanse samenleving.

Nadat Dole in New Hamsphire een vernederende nederlaag had geleden tegen Buchanan en in Delaware en Arizona tegen Forbes, begon deze maand het tij te keren.

Net toen het leek of ook de kandidaat zelf de hoop had opgegeven voltrok zich de zoveelste wederopstanding van Bob Dole. De steun van vrijwel alle Republikeinse gouverneurs en hun politieke organisaties begon eindelijk vrucht af te werpen. En Dole slaagde erin zich te presenteren als het redelijke alternatief voor de extreme Buchanan, als de man die de partij bijeen kon houden en die de beste kansen had om president Clinton te verslaan.

Ondertussen nam hij schielijk een aantal leuzen van zijn tegenstanders over: Buchanans tirades tegen de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros Ghali, en Forbes' pleidooi voor een eenvoudiger belastingsysteem (zij het niet diens uniforme tarief). Maar tegelijk gaf hij zijn eigen opvattingen niet prijs: op het gebied van de buitenlandse politiek (Amerika moet een leidende rol in de wereld blijven spelen, want we willen toch niet dat China, Rusland of Japan onze plaats inneemt?), de fiscale politiek (aan terugdringing van het begrotingstekort mag niet getornd worden) en de handelspolitiek (het vrijhandelsakkoord NAFTA is goed voor Amerika). Begin deze maand won Dole in Zuid-Carolina, en vervolgens was zijn opmars niet meer te stuiten. Het enthousiasme onder de kiezers is blijkens opiniepeilingen nog altijd matig, maar de nominatie wist hij dinsdag zeker te stellen.

Lange strijd

Het leven is voor Bob Dole een lange strijd geweest, en het verhaal van die strijd speelt een centrale rol in zijn campagne. Veel Amerikanen kennen het verhaal inmiddels al tot in de details, maar dat hindert niet: een betere manier om zich te onderscheiden van Bill Clinton is voor Dole nauwelijks denkbaar. Op een heroïscher versie van de American Dream kan geen geen kandidaat bogen, zeker niet Bill Clinton, die zich ten tijde van de Vietnam-oorlog aan de dienstplicht onttrok.

Bob Dole groeide op in een arm gezin in het plaatsje Russell, in Kansas, midden in de Dust Bowl, het gebied in het middenwesten van Amerika dat in de jaren dertig geteisterd werd door aanhoudende droogte, alles doordringende stofstormen en bittere armoede.

Zijn vader had een zuivelhandeltje en een graansilo, zijn moeder ging met naaimachines en stofzuigers langs de deuren, en nog konden ze niet rond komen. Met hun vier kinderen verhuisden ze naar de kelder om de rest van het huis te kunnen verhuren, vertelt Dole nu dag in dag uit aan zijn gehoor.

Een betere omgeving om de traditionele waarden van hard werken, spaarzaamheid en eerlijkheid bijgebracht te krijgen, betoogt hij dan, is nauwelijks denkbaar.

Als tiener werkte Dole als zogeheten soda jerk aan de fris-tap van de lokale kruidenier. Hij droomde ervan om via zijn sportieve prestaties een beurs te krijgen om medicijnen te gaan studeren en zo te ontsnappen aan de armoe.

Maar de Tweede Wereldoorlog kwam er tussen. In de bloedige strijd die in de laatste maanden van de oorlog woedde in het noorden van Italië, waar de Geallieerden de Duitse troepen langzaam terugdreven, raakte Dole zwaar gewond: een Duitse granaat verbrijzelde zijn rechterschouder en brak zijn nek en ruggegraat. Meer dood dan levend werd hij ingegipst en op de boot naar huis gezet.

Lang heeft Dole alleen in betrekkelijk algemene termen over zijn oorlogservaringen en zijn verwonding willen spreken. Maar iedere terughoudendheid heeft hij nu laten varen. Vergezeld van een groepje journalisten bracht hij vorige week een bezoek aan het reusachtige ziekenhuis voor oorlogsveteranen in Battle Creek, in Michigan, waar hij zo'n drie jaar heeft gelegen, soms op het randje van de dood of zelfs al opgegeven.

Het gebouw heeft inmiddels een andere bestemming, het kamertje op de tiende etage was nog net niet gesneuveld in een algemene verbouwing. “Ik heb hier veel over mezelf geleerd”, vertelde Dole. “Ik heb hier geleerd afhankelijk te zijn van andere mensen.

Ik moest weer leren eten, naar de WC gaan en mezelf aankleden. Ik had nooit iemand met een handicap gekend, maar hier kwam ik er achter hoe belangrijk het is dat er hulp bestaat voor mensen in zo'n situatie''. In vergelijkbare woorden vertelt Dole dat sindsdien in elke toespraak, om duidelijk te maken, zoals hij zelf zegt, dat hij niet in een blauw pak geboren is en wel degelijk gevoelens heeft.

Een belangrijk attribuut in Doles levensverhaal is een sigarenkistje, dat hij nog altijd in de la van zijn bureau op het Capitool bewaart. Toen hij uit het ziekenhuis ontslagen werd kon hij nog nauwelijks lopen en was zijn rechterarm nog volledig verlamd. Thuis in Russell trainde hij onvermoeibaar om de macht over zijn spieren terug te krijgen, maar terwijl het lopen steeds beter ging bleef zijn arm slap langs zijn lichaam hangen. De inwoners van Russell zamelden in het sigarenkistje 1800 dollar in om een kostbare hersteloperatie te financieren.

Sommigen droegen een dollar bij van hun karige huishoudgeld, anderen een groter bedrag: de briefjes met de namen en bedragen zitten nog in het kistje. Uiteindelijk zou het bedrag alleen besteed worden aan ziekenhuiskosten, de Armeense chirurg die Dole zeven keer opereerde wilde van geen betaling weten.

De rechter arm bleef onbeweeglijk, maar Dole kon hem nu tenminste in een hoek van negentig graden voor zich dragen, zodat de handicap minder opvalt. De chirurg suggereerde hem zijn artsen-ambities te vergeten en in de politiek te gaan - en via een rechtenstudie heeft hij dat gedaan. De rest van zijn leven zou vrijwel uitsluitend uit politiek bestaan. En nu wil hij zijn land nog eenmaal dienen op “een laatste missie”.

Als hij in november gekozen wordt zal hij 73 jaar zijn, nooit eerder was een president zou oud aan het begin van zijn eerste ambtstermijn.

Oercontact

Zo onbeweeglijk als Doles rechterarm is, zo druk is zijn linker.

Hij stompt er driemaal mee in de lucht als teken van bijval of triomf, hij steekt er zijn duim mee omhoog en hij schudt er dagelijks honderden, misschien soms wel duizenden handen mee. Richard Nixon was de enige in heel Washington die me altijd zijn linker hand gaf, heeft Dole eens met waardering over de voormalige president gezegd. Maar tegenwoordig is het handen schudden, dat oercontact tussen kiezer en kandidaat, gecompliceerder. Als Dole iemand begroet weet hij nooit welke hand die uit zal steken, en als hij niet goed oplet dreigt een gênante misgreep.

Maar zover komt het nooit. Is het de linker dan loopt alles vanzelf goed. Is het de rechter dan schroeft Dole zijn hand in een fractie van een seconde een halve slag, om de hand van de ander razendsnel van boven te onderscheppen. De handenschudder staat niet zelden verbouwereerd te kijken, opgelucht dat het contact zo makkelijk gelegd is. Dole is meestal al weer bij de volgende hand: links? rechts? hebbes!

De verschillen tussen de Dole en Clinton lijken groot, en beide kandidaten zullen ze de komende maanden nog extra aanzetten.

Maar de overeenkomsten zijn zeker zo markant, zelfs in hun biografieën. Allebei hebben ze een arme achtergrond, voor allebei is de politiek hun leven en allebei zijn ze getrouwd met een vrouw die zelf politicus is. (Doles - tweede - echtgenote Elizabeth was minister van verkeer onder Reagan en minister van arbeid onder Bush. Daarna werd ze hoofd van het Rode Kruis, een functie die ze ook zal uitoefenen als haar man president is, heeft ze beloofd, in tegenstelling tot Hillary Clinton die politieke taken in het Witte Huis op zich heeft genomen.)

Ook politiek inhoudelijk zijn de overeenkomsten tussen Bush en Dole opmerkelijk. Het Republikeinse politieke doel van een evenwichtige begroting in zeven jaar is inmiddels door Clinton omarmd, zoals hij ook de overdracht van federale macht aan de deelstaten nu huldigt. In de buitenlandse politiek geloven beide kandidaten in een internationalistische opstelling. Allebei ook huldigen ze de beginselen van open markten en steunen ze het vrijhandelsakkoord NAFTA. En als een van de weinige Republikeinse leiders wijst Dole er zo nu en dan op dat het overheidsapparaat niet alleen maar uit verwerpelijke bureaucraten bestaat, maar ook veel nuttigs doet. Wel bepleit hij een afslanking van de overheid en van de uitkeringen die veel verder gaat dan Clinton. Beide zijn ze geneigd tot het sluiten van compromissen.

De verschillen tussen de twee bevinden zich vooral op cultureel en moreel gebied. Dole is een tegenstander van legale abortus en van toelating van homoseksuelen in het leger. Hij belooft alleen nog conservatieve rechters te zullen benoemen en hij is teruggekomen op zijn steun voor positieve discriminatie.

Hoe groot in de praktijk de verschillen zullen zijn tussen een tweede termijn van Clinton en een eerste van Dole, zal in belangrijke mate afhangen van de samenstelling van het Congres. Als Dole wint en zijn partijgenoten behouden hun meerderheid in het Congres, dan zullen de radicale politieke en sociaal-economische hervormingsplannen van Newt Gingrich opnieuw tot leven worden gewekt. Het is te verwachten dat Clinton zijn campagne precies daarop zal richten: de onpopulaire Gingrich als boeman die met Dole in het Witte Huis niet meer in toom gehouden kan worden. Een variatie daarop kan zijn het thema van Buchanan de boeman die de ziel van de Republikeinse partij in zijn ban heeft.

Roet

Net toen Dole zich begin deze week verzekerd wist van voldoende gedelegeerden voor de nominatie, liet de zakenman Ross Perot weten zich wellicht als kandidaat voor zijn nieuwe Hervormingspartij in de strijd te zullen werpen. Net nu Dole in de opiniepeilingen zijn achterstand op Clinton begon in te lopen diende zich weer een miljonair en politieke buitenstaander aan om roet in het eten te gooien. Maar tegenslagen en obstakels horen bij Bob Dole en zijn carrière, hij weet niet beter. Gewapend met al zijn politieke ervaring en instincten, en niet te vergeten zijn bijtende gevoel voor humor, heeft hij zich er een levenlang tegen gewapend.

Doles grappen zijn alleen niet altijd besteed aan een groot publiek, het is meer de scherpe, soms grimmige humor van de herenclub, dan de innemende vrolijkheid die Ronald Reagan zo charmant wist aan te wenden. “Ik wil de deelstaten meer macht geven”, zegt Dole tot een zaaltje Republikeinse kiezers. “Ik vertrouw ze, in tegenstelling tot Clinton.

Clinton vertrouwt niemand, zelfs de gouverneurs niet, waar hij er één van was.” Het publiek pikt de clou niet op, en dus tracht Dole zijn grap te redden met een quasi verontwaardigd: “Ik zei niet omdàt hij een van hen was”.

Het is donker in de cabine als de witte Boeing 727 de landing inzet naar Washington National Airport. Bob Dole for President 1996 staat met grote letters op de romp, en binnen hangen foto's van de kandidaat en zijn vrouw, en vignetten en stickers van zijn campagne. Achterin het toestel zitten de cameraploegen en fotografen - na de zoveelste dag vol verkiezingsbijeenkomsten hangen ze vermoeid in hun stoelen, als kinderen aan het eind van een schoolreisje dat net iets te lang heeft geduurd. Zacht zingt een van hen voor zich uit: “Hija Hija Hija Ho: Bob Dole for ... preee-esident, Bob Dole for ... preee-sident”. Het is de meezinger waarmee een combo van Tsjechische Amerikanen de kandidaat een dag eerder verwelkomde in Cleveland, Ohio.

De schrijvende journalisten hebben hun schootcomputers dichtgeklapt en proberen nog snel wat slaap in te halen. De campagnemedewerkers murmelen in het duister in hun draagbare telefoons. De meeste van hen zijn al meer dan een jaar voor Dole in touw, dag in dag uit, en de vermoeidheid is hen aan te zien.

Helemaal voor in, met zijn rug naar de cockpit, zit Dole zelf, kaarsrecht en klaarwakker in zijn smetteloos witte overhemd. Zijn leeslampje beschijnt zijn gebruinde gezicht. Hij is op weg naar huis, dat wil zeggen naar het Capitool. Er wacht werk, begrotingsoverleg, een nieuwe immigratiewet, debatten over de financiering van verkiezingscampagnes. En dan is er, belangrijker dan ooit, the other thing. De politieke strijd van zijn leven is begonnen.

Tevreden kijkt hij voor zich uit, het gangpad in.