Onverdraaglijke getuigenissen

ILYA EHRENBOURG et VASSILI GROSSMAN: Le Livre Noir

1135 blz., Actes Sud 1995 (Tchernaïa Kniga, 1993), ƒ109,20

Nadat in 1993 in Vilnius (Litouwen) de integrale Russische tekst van het manuscript was gepubliceerd, verscheen afgelopen november in Frankrijk een vertaling van het Zwartboek over de Duitse jodenmoord in de Sovjet-Unie. Daardoor kunnen nu ook lezers in het Westen kennis van dit unieke document nemen.

Wat kan nu het belang zijn van publikatie van zo'n - uit de Tweede Wereldoorlog daterend - Zwartboek, niet alleen na alles wat er de afgelopen halve eeuw over de Endlösung is geschreven, maar ook in het licht van de propagandistische oogmerken die Stalin destijds met dit diepte-onderzoek voorhad? De verdenking van mosterd na de maaltijd, of nog erger, van commerciële exploitatie van dit tragische onderwerp, kan snel de kop opsteken. Ten onrechte. Het Livre Noir biedt wel degelijk nieuw materiaal voor geschiedkundige onderzoekers. Al eerder waren er fragmenten van beschikbaar. Maar het was het openstellen van de Sovjet-archieven vanaf 1989, die de totstandkoming van een integrale versie mogelijk maakte.

Dat de Duitsers na hun inval op grondige wijze waren begonnen met de uitroeiing van de joodse bevolking in de door hen veroverde gebieden in de Sovjet-Unie, is algemeen bekend.

Om opportunistische redenen gaf Stalin toestemming tot de oprichting van een antifascistisch joods comité.

In 1943 kwam het in Amerika tot een ontmoeting tussen Albert Einstein en een delegatie van het comité. Overeengekomen werd de zich voltrekkende jodenmoord in Oost-Europa, maar vooral in de Sovjet-Unie, zo volledig mogelijk in kaart te brengen. De redactie voor het verzamelen van getuigenissen over “de schurkachtige uitmoording van joden door de Duitse fascistische invallers in de tijdelijk bezette gebieden van de USSR en in de vernietigingskampen van Polen gedurende de oorlog van 1941-1945” werd toevertrouwd aan twee vooraanstaande joods-Russische schrijvers: Ilya Ehrenburg en Vassily Grossman.

Van het begin af aan hebben Ehrenburg (1891-1967) en Grossman (1905-1964) voor grote problemen gestaan. “Wij dwaalden in de duisternis”, heeft Grossman zich laten ontvallen. Ehrenburg kreeg van Stalins medewerkers te horen: “Stel een boek samen. Als het goed is, zullen wij het uitgeven”. Een 'goed' boek betekende volgens de stalinistische breinen dat het aan bepaalde propagandistische en ideologische criteria moest voldoen om voor publikatie in aanmerking te komen. Of zoals in het voorwoord van de Russische editie van 1993 staat: “De bestemming van het manuscript was nauw verbonden met de binnen- en buitenlandse conjunctuur.” In de praktijk betekende dit dat Stalin op cynische wijze de Duitse jodenmoord in de bezette Sovjet-gebieden aangreep om in Amerika sympathie te wekken voor de in het nauw gedreven Sovjet-Unie. Dat na de uiteindelijke overwinning op Duitsland de uitroeiing van de joden in Oost-Europa uit de officiële Sovjet-geschiedschrijving werd geschrapt, past in dit kader van cynisme.

Verbod

Het Zwartboek heeft onder Stalin noch onder diens opvolgers het levenslicht mogen aanschouwen. Na zijn voltooiing in 1945 werd het door de partij-ideoloog Zdjanov vastgehouden. In 1947 werd het wegens 'joods nationalisme' verboden. Dit verbod zou een voorbode zijn van de antisemitische vervolgingen, die vanaf 1950 de Sovjet-Unie teisterden. In 1952 werden de leiders van het anti-fascistische joods comité gefusilleerd.

Ook de meeste auteurs van de - in het Zwartboek voorkomende - getuigenissen hebben de stalinistische heksenjacht niet overleefd. Een uitzondering is Lev Ozerev, die nog altijd in Moskou woont. Zijn relaas over de massamoord van Babi Yar (nabij Kiev) opent de lange reeks van getuigenissen.

Dank zij de bemoeienissen van Irinia Ehrenburg, de dochter van de romanschrijver, kon in 1993 de eerste integrale tekst worden gepubliceerd.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie en van het communisme, waardoor voor het eerst toegang tot geheime staatsarchieven werd verkregen, had dit mogelijk gemaakt. Deze definitieve versie is gebruikt voor de Franse vertaling, waarover zich een collectief van zes vertalers heeft gebogen. Er zijn overigens ook al Duitse en Hebreeuwse vertalingen verschenen, terwijl al in 1946 in Amerika en Roemenië fragmenten van het Zwartboek werden gepubliceerd.

Deze versie is heel wat vollediger dan het manuscript dat in 1980 in Israel (in het Russisch) was uitgekomen. In het oorspronkelijke manuscript hadden Stalins censors namelijk alle passages geschrapt, die betrekking hadden op een specifiek joodse identiteit, zoals de pogingen tot het redden van joodse manuscripten of documenten. Dat is bijvoorbeeld gebeurd met het relaas, dat de dichter Avron Sutzkever - op basis van getuigenissen van overlevenden - had geschreven over de uitroeiing van het getto van Wilna (het huidige Vilnius). In de definitieve versie zijn de oorspronkelijk gecensureerde passages tussen haakjes opgenomen.

Eén probleem met het Livre Noir is dat de inhoud ervan niet los kan worden gezien van de stalinistische dictatuur, tijdens welke het werd geschreven. Propagandistische toonzetting was blijkbaar nogal eens nodig om de communistische bonzen niet te zeer tegen de haren in te strijken. Het voorwoord van Vassily Grossman is er zelfs betrekkelijk onverteerbaar door geworden.

'Eerlijk werk'

Des te opvallender is dat Raul Hilberg, schrijver van het standaardwerk De Vernietiging van de joden in Europa, zich tegenover het dagblad Le Monde (17 november 1995) positief heeft uitgelaten over het werk dat Ehrenburg en Grossman destijds hebben verricht. De historicus gelooft niet dat zij de getuigenissen hebben gemanipuleerd. Hilberg: “De communistische fraseologie waarvan zij zich bedienden, mag niet doen vergeten dat het tweetal eerlijk werk heeft geleverd.” Een andere Holocaust-deskundige, de historicus Michaël Marrus, betoogt (in dezelfde editie van Le Monde) dat Le Livre Noir de aandacht vestigt op een van de minder in de publiciteit gekomen aspecten van de Endlösing: de moordpartijen van de Einsatz-truppen op honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen in de bezette Sovjet-gebieden.

De geschiedschrijving van de jodenvernietiging heeft zich vooral gericht op gaskamers en vernietigingskampen, op wat Marrus de industrieel uitgevoerde genocide noemt. Bij de talloze wreedheden waarover het Zwartboek bericht, konden de moordenaar en het slachtoffer elkaar zien.

Er bestond, om zo te zeggen, een 'menseljk' contact voor de terechtstelling, aldus Marrus. Voor de rol van de mobiele doodsbrigades van de SS valt het uit 1964 daterende SS im Kreuzverhör van Robert M.W. Kempner te raadplegen, plaatsvervangend Amerikaans hoofdaanklager in de Neurenberg-processen.

Het Livre Noir bevat ruim duizend pagina's van getuigenissen over het systematische moorden van de Duitsers. Dit boek bewijst opnieuw dat kort na de gebeurtenis verkregen getuigenverklaringen indrukwekkender zijn dan welke vorm van oral history ook. Tegelijk is het Zwartboek onverdraaglijke lectuur vanwege de omvang van het menselijk leed dat er in wordt beschreven. Het enige lichtpunt vormt de heldhaftigheid van enkelingen, die met groot gevaar voor eigen leven joden uit de handen van de nazi's wisten te houden.