Ongenoegen, over en weer

TERECHT HEEFT MINISTER Van Mierlo zich verzet tegen de bestempeling van Nederland als “drugsstaat” in een advies dat in opdracht van de Franse regering is geschreven.

De bewindsman heeft van zijn kant opdracht gegeven het Nederlandse ongenoegen over de “onaanvaardbare kwalificaties” aan Parijs over te brengen. Minder kon hij onder de gegeven omstandigheden niet doen. De term is niet alleen denigrerend in zichzelf, hij blijkt ook de opmaat te zijn voor een voorstel om Nederland praktisch onder curatele te stellen van zijn buren. Althans, in het advies wordt aangeraden ons land te onderwerpen aan een tijdschema voor het effectief aanpakken van handel, bezit en export van alle soorten drugs, aan toezicht op die aanpak en aan de verplichting (voorgeschreven?) resultaat te bereiken.

Minister Van Mierlo had enige ruimte voor zijn reactie omdat het hier om een advies gaat waarop de Franse regering nog moet reageren. Naar verwachting doet zij dat dinsdag aanstaande. Parijs is door de publikatie van het advies in een moeilijke positie gebracht: de Franse regering zal immers het nodige lobby-werk moeten verrichten om andere buren van Nederland aan de voorgestelde onwezenlijk harde lijn te binden. Het ziet er niet naar uit dat dit onder de gegeven omstandigheden volgens de methode van de stille diplomatie kan worden bereikt. Hoe deze knuppel weer uit het Europese hoenderhok zal moeten worden verwijderd, is dan ook in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever van de Franse werper.

DE OPSTELLER VAN HET advies, senator Paul Masson, stelt dat de Nederlandse regering zich heeft vastgemanoeuvreerd tussen de verplichtingen op grond van VN- en Europese verdragen enerzijds en het gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs en een zacht vervolgings- en strafbeleid ten aanzien van harddrugs anderzijds. De senator beschuldigt Nederland net niet van (bewuste) verdragsschending, maar hij acht hoe dan ook het Nederlandse beleid rijp voor een ferme ingreep van buiten. Daarmee stelt Masson zich feitelijk op, niet als verdragspartij, maar als finale instantie die aan haar oordeel tegelijkertijd sancties verbindt. Geen van de door de senator bedoelde verdragen voorziet in een dergelijke figuur. Wat Masson voorstelt is volkenrechtelijk buiten de orde.Toepassing ervan zou neerkomen op een internationaal veemgericht.

In het meest betrokken verdrag, dat van Schengen, is juist vastgelegd dat het beleid een zaak is van de partners afzonderlijk, maar dat er daarnaast een inspanningsverplichting is tot samenwerking om de doelstellingen van het verdrag te bereiken. Over de beslechting van geschillen over de uitvoering wordt momenteel onderhandeld. Daarbij is van belang dat de Tweede Kamer onlangs vraagtekens heeft gezet bij de wenselijkheid om op dit punt nadere afspraken te maken. Anders gezegd, het verdrag voorziet bepaald niet in de aanpak zoals door senator Masson voorgesteld. Zou Frankrijk op eigen houtje afwerende maatregelen willen nemen (in feite heeft het dat met het herstel van de grenscontroles al gedaan, zij het deels om andere redenen) dan is het aan de Franse regering om aan te tonen dat deze niet met 'Schengen' op gespannen voet staan.

HET GERECHTVAARDIGDE Nederlandse ongenoegen over de toonzetting van Massons advies mag intussen niet doen vergeten dat Nederland inderdaad tot samenwerking, ook op het terrein van het drugsvraagstuk, gehouden is. In Nederland is de laatste maanden hoog van de toren geblazen, ook door verantwoordelijke bewindspersonen. Wijzend op positieve resultaten die met het gedoogbeleid zijn bereikt, en over het hoofd ziend dat het beeld van over de grens beschouwd wel eens wat genuanceerder zou kunnen zijn, is van de nood langzamerhand een deugd gemaakt. De nood van het toegenomen drugsgebruik en alle daarmee samenhangende asociale verschijnselen is geleidelijk aan verdwenen achter de veronderstelde deugd van de aanpak. Dit heeft bij de ontvangers van de heilsboodschap een escalerende irritatie veroorzaakt.

Niet alleen de Fransen, maar ook de Britten, de Duitsers en de Zweden hebben, zij het met het ongebruikt laten van de door Parijs meegebrachte megafoon, in Den Haag van hùn ongenoegen geen geheim gemaakt. De gedachte dat strekking en inhoud van de deze week in de Tweede Kamer behandelde drugsnota, vol met goede bedoelingen en in het debat vergezeld van de ministeriële erkenning dat het beleid inderdaad “uit de hand was gelopen”, de kou uit de lucht zou halen en als lentebode dienst kon doen, berustte bij voorbaat op een kardinale vergissing.

Na al het getamboereer op de voortreffelijkheid van het Nederlandse drugsbeleid kon de boodschap van goede wil niet meer overkomen. Met instemming was bijvoorbeeld de ondersteuning van verschillende Duitse Länder genoteerd. Dat Bonn onderwijl werd geblameerd, kreeg daardoor niet de aandacht die het verdiende.

DE FRANSE EN de Nederlandse diplomatie zouden de komende dagen kunnen benutten om een fatsoenlijke uitweg te zoeken. Als de Fransen hun geluidsapparatuur flink wat zachter zetten en het Nederlandse gehoor gevoeliger zou reageren, kan de botsing worden vermeden die zich zou voordoen als de Franse regering Massons advies overneemt. Het zou niet de eerste keer zijn dat de Franse politiek een crisis schept om uiteindelijk een betrekkelijk bescheiden stap naar het voorziene doel te kunnen zetten.

Van Nederlandse kant moeten de beloftes gedaan in de drugsnota serieus worden genomen: het toezicht op de coffeeshops kan veel beter en geregistreerde ontsporingen dienen consequenties te hebben. Het wetsontwerp dat burgemeesters een doeltreffend instrumentarium verstrekt om illegale drugspanden aan te pakken, verdient een spoedige behandeling in het parlement.

Het Nederlandse drugsbeleid rust op twee pijlers: het scheiden van de markten van soft- en van harddrugs en het strafrechtelijk onderscheiden van gebruikers en handel. Het is aan de politiek in Den Haag en aan de plaatselijke autoriteiten om aan te tonen dat dit beleid niet uit de hand hoeft te lopen, maar resultaat kan hebben. Dan spreken de feiten voor zichzelf en behoeft men de partners niets meer uit te leggen. Aan de vereiste samenwerking zal dan zijn voldaan.