Model van tolerantie aan de Bosporus

PHILIP MANSEL: Constantinople. City of the World's Desire, 1453-1924

528 blz., geïll., John Murray 1995, ƒ49,25

In 1463 veroverden de legers van de 20-jarige Ottomaanse sultan Mehmed II het koninkrijk Bosnië, dat al spoedig daarna een Ottomaans bolwerk werd, bekend als 'de leeuw die de poorten van Stamboel bewaakt'. In Galata, Europese enclave tegenover Constantinopel, aan de overzijde van de Gouden Hoorn, versierden de Florentijnse inwoners hun huizen om de triomf van de sultan te vieren. Tien jaar na die verovering van Mehmed II leefden in Constantinopel al moslims, Europese christenen en joden samen, zoals in geen enkele stad elders ter wereld het geval was.

Het multinationalisme was gedurende de 469 jaar dat de zonen van Osman hun imperium in Europa, Azië en Noord-Afrika beheerden het kenmerk van Constanstinopel. De hoofdstad van het Ottomaanse rijk was al in de zestiende eeuw de meest kosmopolitische stad in Europa. Het Italiaans was er de tweede taal. Na ruim twee eeuwen werd het verdrongen door het Frans. De Frans-Ottomaanse vriendschap die van 1535 tot 1798 duurde, zou er toe leiden dat het Turks rond de eeuwwisseling 5600 Franse leenwoorden kende. Ooit werden in Constantinopel 72 nationaliteiten geteld. Maar nationaliteit speelde tot halverwege de negentiende eeuw geen dominante rol in deze 'poort in de wal tussen islam en christendom', waar de meeste inwoners meer dan één identiteit hadden. Onder de almacht van de sultan, die ook de geestelijke leider (kalief) van de islam was, leefden moslims en christenen, Ottomanen en Europeanen eeuwen lang relatief vreedzaam samen in de 'City of the World's Desire'.

Dat is de titel van het briljante portret dat de Engelse historicus Philip Mansel heeft gewijd aan de stad die 21 namen en benamingen had, maar die in Europa toch vooral bekend was als Constantinopel, naar de keizer die het Oost-Romeinse rijk stichtte dat als Byzantium duizend jaar bestond voordat de Turken het veroverden. Mansel, die - Engelser kan het nauwelijks - gespecialiseerd is in de geschiedenis van vorstenhuizen en dynastieën, behandelt de overvloedig rijke geschiedenis van het Ottomaanse Constantinopel - de bibliografie vermeldt ruim 600 titels - erudiet, soms ook met verrassend engagement en af en toe met een knipoog naar het heden.

Gratis voedsel

Zo schrijft Mansel dat de Ottomaanse sultans moskeeën bouwden “zoals moderne miljonairs kunstgalerieën bestellen”. Mansel veronderstelt dat aan de “bevestiging in steen van de orthodoxie, rechtvaardigheid en edelmoedigheid van de dynastie” een groot deel van de rijkdom van de Ottomaanse heersers is opgegaan. Volgens een schatting in de achttiende eeuw kregen 30.000 inwoners van de stad dagelijks (gratis) voedsel uitgereikt in de moskeeën, waarmee “werd veilig gesteld dat de honger nooit het gevaarlijke peil van Parijs in 1789 bereikte”. Kosem, de beroemdste van alle sultan-moeders, vergelijkt hij met Thatcher en haar eind met “Westminister in 1990 toen de mannen zich tegen hun plaaggeest keerden”. Kosem werd in 1651 naar het gebruik van die dagen gewurgd. Maar ze was om haar goede werken zo geliefd in Constantinopel dat de bevolking spontaan drie dagen rouwde.

Constantinopel had in 1453 nog maar 30.000 inwoners. Een eeuw later waren het er al 400.000 en dat aantal zou enkele eeuwen ongeveer constant blijven, verdeeld over moslims (58 procent) en christenen (42 procent). De glorie van hoofdstad van een machtig imperium bereikte in de zestiende eeuw al haar hoogtepunt, tijdens de heerschappij van sultan Suleyman (1520-1566), die in het westen bekend werd als de Prachtlievende en onder de Turken als de Wetgever. De 'Grote Turk' die langer dan enige andere sultan als 'Gods schaduw op aarde' regeerde, en de grenzen van het rijk tot dicht bij Wenen uitbreidde, bouwde de ene na de andere moskee. Alleen al zijn architect Sinan bouwde en restaureerde, vanaf 1538 tot zijn dood in 1590, 477 gebouwen, waarvan 159 moskeeën, waaronder de beroemde Sulimaneye moskee vlak bij de brug over de Gouden Hoorn die het oude Stamboel met Galata verbindt.

De feesten van de sultans, waaraan dus ook christenen en joden deelnamen, waren even grandioos als hun macht absoluut was. De besnijdenis van de toekomstige sultan Mehmed III in 1582 ging gepaard met feestelijkheden die 55 dagen duurden. Het verwijderde voorhuidje werd op een gouden schotel aan de moeder van de prins aangeboden, de grootmoeder kreeg het mes waarmee de operatie was uitgevoerd en de man die de besnijdenis uitvoerde, kreeg 3000 gouden munten, een gouden beker, fraaie gewaden en mocht met een van des sultans talrijke dochters trouwen. De vijfjarige prinses Fatma kreeg bij haar huwelijk in 1709 zoveel geschenken dat er vijfenvijftig muilezels nodig waren om ze in optocht aan de bevolking te tonen. De gelukkige jonge echtgenoot stierf, nog voor hij puber werd, op het slagveld waar de Ottomanen sinds het mislukte beleg van Wenen (1683) van nederlaag tot nederlaag zouden gaan - tot en met de Eerste Wereldoorlog die het einde van sultanaat en kalifaat inluidde. In 1924 vertrok de laatste sultan, per Oriënt Express naar Parijs, 'langs het hart van Suleyman' dat ergens in Hongarije is begraven.

Harem

Zoals in elk boek over de Ottomanse dynastie besteedt ook Mansel aandacht aan de harem, het 'heiligdom' van vrouwen en eunuchs, dat “bestond om de seksualiteit en repoduktieve vermogens van de sultan te kanaliseren in het belang van de dynastie”. Hij heeft uit zijn discipline begrip voor het Ottomaanse systeem om troonopvolgers te produceren, omdat de “Spaanse en Oostenrijkse successie-oorlogen de catastrofale gevolgen van het ontbreken van een mannelijke troonopvolger voor een dynastie aantonen”. De sultans beoefenden 'serial concubinage' met slavinnen, zoals ook hun militaire keurkorps, de Janitsaren, uit slaven bestond (onder wie deels christelijke krijgsgevangenen).

Mansel ziet daarvoor drie redenen. De eerste is controle: de slavinnen waren geheel van de sultan afhankelijk en hadden, althans in theorie, minder rechten dan vrije moslimvrouwen. De tweede is het verlangen naar seksuele afwisseling en dat kan Mansel billijken: “Koninklijke maîtresses in Frankrijk en, tot op de huidige dag, Engeland leveren voorbeelden van problemen die veroorzaakt worden door dynastieke amours binnen de heersende elite.” De slavinnen/concubines, die meer wegens hun gezondheid en schoonheid werden gekozen dan om hun afkomst, konden de verlangens van de sultans bevredigen zonder schadelijke gevolgen voor de dynastie. En tenslotte is er de biologie: zonen vergroten de reserve van de dynastie. Sultan Murad III, die twee tot drie keer per nacht aan zijn slavinnen 'gerechtigheid deed', kon zich in het vaderschap van 102 kinderen verheugen. In 1652 telde de harem van de sultan 967 vrouwen van wie sommigen dus jaren moesten wachten alvorens hun baas hen opmerkte. Als dat niet binnen negen jaar gebeurde, kregen ze gewoonlijk, ruim voorzien van geld, de vrijheid. Ze waren dan, als kenners van het serail, begeerd als echtgenote.

Een successie-oorlog heeft zich in het Ottomaanse rijk inderdaad nooit voorgedaan, maar dat had ook een andere oorzaak. In de zestiende eeuw werd de opvolging van een overleden sultan nog primitief beslecht - de eerste zoon die zich in Constantinopel meldde, werd tot sultan uitgeroepen. Zekerheidshalve liet hij dan meestal al zijn broers vermoorden. Dat gebeurde meestal door wurging met een zijden doek of een verzilverd touw omdat het Ottomaanse 'heilige bloed' niet mocht vloeien. Mehmed III liet zijn negentien broers uit de harem halen. Ze kusten de hand van de sultan, werden besneden en vervolgens gewurgd. Een prins zei: “Laat me mijn kastanjes eten en wurg me daarna.”

Eén kind

In de zeventiende en volgende eeuwen volgde de eerstgeboren zoon de sultan op, als hij tenminste niet het slachtoffer was geworden van paleisintriges van de slavinnen-moeders die uiteraard het beste met hun zoon voor hadden, te meer omdat ze gewoonlijk maar één kind kregen. Na enkele van dergelijke drama's werd de potentiële troonopvolger, voorzien van bewakers en zijn eigen harempje, geïsoleerd in een apart paleisje, dat Topkapi-toeristen nog altijd kunnen bezoeken. In 1640 stierf sultan Murad IV. Zijn broer Ibrahim, die Murad bij zijn aantreden in 1607 in leven had gelaten omdat deze volgens zijn moeder Kosem toch gek was, durfde het paleisje pas te verlaten nadat het lichaam van de dode was getoond. Onder Ibrahim ging van alles mis met het Ottomaanse rijk doordat de nieuwe sultan ruim voorzien werd van jonge maagden en de staatszaken negeerde, wat uiteindelijk tot zijn afzetting leidde.

Suleyman de Prachtlievende was de enige sultan die (op wat rijpere leeftijd) verkoos monogaam te leven met Hurrem, de niet opmerkelijk mooie, maar levenslustige en intelligente vrouw die grote invloed in staatszaken had.

Hurrem (letterlijk: de joyeuze), die er net als Anne Boleyn van beschuldigd werd haar echtgenoot (Henry de Achtste) 'behekst' te hebben, werd waarschijnlijk in het Poolse Lvov geboren als Alexandra Lisowska, dochter van een Oekraiense orthodoxe priester. Ze kwam in de harem van de sultan terecht nadat ze was gevangen genomen bij een slaven-raid op de Krim. Mansel verzuimt te vermelden - en dat is de enige aanmerking op zijn ongeëvenaarde boek - dat Hurrem in vrijwel alle Europese geschiedschrijving over het Ottomaanse rijk beter bekend is als Roxelana.

De politieke geschiedenis met in de hoofdrollen de overwegend Griekse geslachten, die de groot-viziers leverden, de bloeiende cultuur, de religieuze verdraagzaamheid en tal van andere aspecten van het Ottomaanse Constantinopel behandelt Mansel met liefdevolle aandacht voor zowel de grote lijnen als het sprekende detail. Misschien moet hij nog het meest geprezen worden voor de uitgebreide epiloog, waarin hij de bezoeker van de huidige Turkse megapolis Istanbul aan de hand neemt langs wat nog rest van de Ottomaanse erfenis. De meeste van de ruim tien miljoen inwoners van Istanbul, de 'stad van 10.000 dorpen', kunnen de inscripties op de badhuizen en de moskeeën niet meer lezen.

Ze zijn het Ottomaans, een heel andere taal dan het verwesterde Turks, niet machtig en - wat veel belangrijker is - geen stad ter wereld heeft zo gebroken met zijn verleden als Istanbul. Maar met Mansel als gids voelt de lezer zich toch nog thuis op het kruispunt van de wereld dat Constantinopel zo lang was, en nooit meer zal zijn.