Luns had reden om op steun van VS te rekenen

De reacties van dr. L.J. Giebels en jhr.mr. J.L.R. Huydecoper van Nigtevecht (NRC HANDELSBLAD, 22 februari) op mijn poging de mythe over de Amerikaanse steuntoezegging inzake Nieuw-Guinea aan minister J.M.A.H. Luns van oktober 1958 uit de wereld te helpen, bewijzen dat mythen hardnekkig en weerbarstig zijn. Een kort antwoord lijkt mij geboden. Dr. P.B.R. de Geus heeft hier al uiteengezet (5 maart) dat inzicht in de internationale politieke verhoudingen de meeste Nederlandse ministers ontbrak. Dit maakte het voor hen moeilijk de toezeggingen van Dulles naar waarde te schatten.

In mijn artikel van 8 februari heb ik gesteld, dat er beslist geen sprake is van een persoonlijke toezegging van J.F. Dulles aan Luns, maar dat de toezegging op papier is gezet en gepubliceerd is. Het Nederlandse kabinet, het Nederlandse parlement en de Nederlandse pers wisten dus eind oktober 1958 welke toezeggingen door de regering-Eisenhower gedaan waren. Ik heb daaraan twee conclusies verbonden: 1. dat er geen sprake is van een oncontroleerbare toezegging en 2. dat pas na het aantreden van J.F. Kennedy als president in 1961 die toezegging aan betekenis inboette.

Giebels en Huydecoper proberen de juistheid van mijn conclusies in twijfel te trekken door verwijzing naar ontwikkelingen na oktober 1958. Giebels wijst op problemen rond wapenleveranties in 1959 en het uitblijven van een herbevestiging van de toezegging na 1961. Wat die wapenleveranties betreft, kan ik kort zijn: het was niet de eerste en niet de laatste keer dat State Department en Pentagon een eigen, sterk verschillend beleid voerden.

Met het uitblijven van de herbevestiging na 1961 kom ik ook bij het artikel van Huydecoper, dat sterk de nadruk legt op verwijzingen van Luns na januari 1961 naar de toezeggingen van Dulles. Waarschijnlijk is mijn opmerking dat het Nieuw-Guineabeleid van Luns en de Nederlandse regering na het aantreden van J.F. Kennedy 'problematisch' werd, te diplomatiek van bewoording geweest, maar zij bedoelde in elk geval te zeggen dat met de komst van een nieuwe president de toezegging niet meer bestond. Mijn bijdrage concentreerde zich op de mythe van het 'papiertje van Dulles' en had beslist niet de bedoeling het Nieuw-Guineabeleid van Luns tussen 1958 en 1962 te bespreken. Dat zou meer ruimte vergen dan de opiniepagina kan bieden.

Terug nu naar oktober 1958. Giebels staaft zijn stelling met verwijzingen naar een interview met Luns en de memoires van Zijlstra. Dat lijken mij zwakke bewijsplaatsen. Luns beschouwde zichzelf als eerstverantwoordelijke voor het buitenlands beleid en had er - ook achteraf - geen enkele behoefte aan de indruk te wekken dat ook het kabinet bij de vaststelling ervan een rol speelde. Wat Zijlstra betreft: er is geen enkele reden aan te nemen, dat hij in zijn memoires heeft opgeschreven wat hij anno 1993 zich herinnerde, maar dat is nog geen bewijs voor de juistheid ervan.

Huydecoper gaat uitvoerig in op de betekenis van de toezegging. Hij hecht grote waarde toe aan de uitspraak van Dulles tegenover ambassadeur Van Roijen in oktober 1958, namelijk dat hij geen 'advance statements' kon maken. Dat was een door Dulles, zijn voorgangers en zijn opvolgers regelmatig gehanteerde terminologie: de Amerikaanse regering zou zich door toezeggingen over militaire steun tegenover de Senaat en het Congres in een moeilijke positie kunnen brengen en dat zou het doel zelf niet dienen. In dat opzicht bestaat er tussen Huydecoper en mij geen enkel verschil van opvatting. Ik deel echter niet diens conclusie, dat daarom de toezeggingen niets waard waren: Dulles gaf immers tegenover Van Roijen onmiddellijk na dit voorbehoud substantieel reliëf aan de steuntoezegging door te verwijzen naar het Amerikaans ingrijpen in Libanon en het patrouilleren van de Amerikaanse vloot in de Straat van Formosa. Is het dan zo merkwaardig, dat Luns in oktober 1958 meende te kunnen rekenen op daadwerkelijke Amerikaanse steun in geval van een Indonesische aanval op Nieuw-Guinea?