Kogelgefluit

ARNOLD KARSKENS: Berichten van het front

238 blz., Nijgh en Van Ditmar, 1995, ƒ34,90

Nederlands oorlogscorrespondent zijn is een kommervol bestaan. Niet alleen omdat de kogels je om de oren vliegen, en je elk moment ten prooi kunt vallen aan allerlei soorten van geweld - dat is in zekere zin de kern van het beroep en wie daar niet tegen kan moet vooral een andere betrekking kiezen. Nee, het grootste probleem is dat het nauwelijks schuift, Nederlandse oorlogscorrespondent zijn.

In zijn autobiografische boek Berichten van het front, de eerste in een serie van drie leren we uit het voorwoord, debiteert Arnold Karskens van dit gebrek aan economisch gewin treffende staaltjes. Zo treffen we de geharde reporter aan in Amsterdam tijdens het schilderen van ramen en kozijnen, zinnend op een nieuw avontuur in de grote wereld, en in de middagpauze het dagblad Trouw kopend, omdat daar een reportage van zijn hand in staat over zijn vorige uitje.

Oppervlakkig bezien is deze gang van zaken natuurlijk verwonderlijk.

Waarom zou iemand voor zijn beroep de kans willen lopen in een of ander crisisgebied overhoop geschoten te worden, als daar niet tenminste een adequate geldelijke beloning tegenover staat? Oorlogscorrespondent zijn lijkt onder deze omstandigheden een wel heel erg merkwaardige vorm van zelfkastijding.

De paradox is echter slechts een oppervlakkige: wie van professie oorlogscorrespondent wil zijn, tegen elke prijs, heeft daarvoor ongetwijfeld persoonlijke, karakter-bepaalde redenen - hetzelfde geldt trouwens vermoedelijk voor huurling. Helaas verschaft Karskens ons in zijn boek maar schaarse aanwijzingen omtrent het ontstaan van zijn merkwaardige beroepsvoorkeur - of over de vraag waarom hij het oorlogscorrespondentschap bijvoorbeeld prefereert boven dat van huurling.

De enige aanwijzing is de onmiskenbaar pathetische en zelfmedelijdende toon, vooral in het begin van het boek, dat is opgedragen aan een kort na de geboorte overleden zoon van de auteur. Niet alleen beschrijft Karskens in extenso zijn diarree tijdens een tocht met Afghaanse vrijheidsstrijders, ook worden we deelgenoot gemaakt van zijn overtuiging, dat zijn vriendin op dat moment in Amsterdam wel met een ander in bed zal liggen.

Over de ware redenen waarom hij zo stelselmatig de ellende met eigen ogen wil aanschouwen, worden we evenwel niet veel gewaar. En ook hoe de auteur zelf reageert op alle lijken en ander leed die hij aanschouwt, wordt eigenlijk nauwelijks duidelijk. Erbij zijn, dat is alles wat telt. En erbij is Karskens zeker geweest. Het boek staat dan ook vol met anekdotes die men in een minder grimmige contekst als 'kostelijk' zou omschrijven.

Hoe onbegrijpelijk de hardnekkigheid van de oorlogscorrespondent ook moge lijken, het betreft hier natuurlijk een nuttig soort van idioten.

Wat zouden de media moeten beginnen, zonder een bepaald contingent aan medewerkers die met gevaar voor eigen leven bereid zijn te gaan kijken wat er werkelijk aan de hand is in deze of gene uithoek?

Helaas heeft Karskens op dit gebied ook nogal wat desillusies te verwerken gekregen. Aangrijpend vertelt hij, welke moeilijkheden hij ondervindt bij het leggen van een verbinding met de kkNOSxx-radiostudio, vanuit een door Amerikaanse raketten bestookt Bagdad tijdens de Golfoorlog.

Door behendig manoeuvreren slaagt hij erin, een van de felbegeerde satelliettelefoons van beter geëquipeerde collega's te mogen gebruiken. Maar helaas: de redactie neemt het toestel niet op, en wanneer hij na geruime tijd erin slaagt zich door de kkNOSxx-portier te laten doorverbinden, deelt men hem doodleuk mee dat hij een ander, direct op een bandrecorder aangesloten zogenaamd vork-nummer had moeten bellen. Tenslotte belt hij zijn live-verslag door naar de Engelse omroepmaatschappij kkITVxx, die het braaf doorstraalt naar de kkNOSxx waar de bandrecorder door een defect het niet opneemt.

Zo staat het boek vol interessante belevenissen, maar op den duur treedt bij lezing een bepaalde vermoeidheid op. De mens is slecht en wreed, in eindeloze variaties in alle uithoeken van de aarde - zoveel wordt duidelijk. Maar wisten we dat niet al, en is dat voldoende stof voor een boek? Enfin, er volgen nog twee delen - hopelijk zal Karskens dan eens wat meer het achterste van zijn tong laten zien.