Initiatiefrijk trio

NATALIE ZEMON DAVIS: Women on the Margins. Three Seventeenth-Century Lives

360 blz., geïll., Harvard University Press 1995, ƒ50,25

In de zomer van 1654 zond een Zuster der Ursulinen vanuit Québec haar levensverhaal naar haar zoon Claude in Parijs. Daarin herinnerde ze hem aan wat er bijna een kwart eeuw eerder was voorgevallen, toen zij haar 'innerlijke stem' had gevolgd en de sluier had geprefereerd boven haar kind. Aangezien zij weduwe was bleef Claude door die keuze, elf jaar oud, onbeschermd in de wereld achter. Als een wees. Hij had toen buiten de kloosterpoort en zelfs in de kerk tijdens de mis met zijn vriendjes staan roepen: Geef me mijn moeder terug.

Maar God had zijn moeder door troostende influisteringen de verzekering gegeven dat haar intrede de juiste keuze was. Een daad zelfs, meende ze later zelf, van spirituele heroïek.

Deze ontrouwe moeder was ene Marie Guyart. Zij stichtte midden zeventiende eeuw als Mère Marie de l'Incarnation het eerste Ursulinenklooster in Noord-Amerika, nadat ze de oceaan was overgestoken met het doel Indianen te kerstenen. Marie Guyart bestaat voort dank zij het aan haar zoon verstuurde relaas, want Claude, zelf ook kloosterling geworden, verzorgde na haar dood een boekuitgave van zijn moeders herinneringen. Dit ondanks haar nadrukkelijke opdracht het verhaal te vernietigen. Was het uit bewondering, zoals hij zelf verklaarde, dat hij tegen haar wens inging, of kwam zijn publikatie voort uit andere motieven? Wilde hij zijn moeder niet ten tweede male verliezen? Of wilde hij misschien nu eens háár lot bepalen? In elk geval publiceerde hij haar herinneringen niet ongecensureerd. Geloofsuitingen bracht hij strikt in overeenstemming met de kerkelijke leer en waar haar woordgebruik hem te ruw was polijstte hij de tekst. Behalve persoonlijke verhalen bevat Guyarts werk, hoe racistisch het ook is, een schat aan etnografisch materiaal over allerlei 'duivelse' Indiaanse volken, wier talen zij zich eigen maakte teneinde filles sauvages te kunnen onderwijzen in het ware geloof.

Marie Guyart stierf ruim zeventig jaar oud in 1672, een halve wereld verwijderd van haar geboortestad Tours, omringd door Indiaanse bekeerlingen.

Zij is nu opnieuw tot leven gewekt als één van de drie vrouwen aan wie de Amerikaanse historica Natalie Zemon Davis onder de titel Women on the Margins een biografisch drieluik wijdde. Dit drieluik, waarin naast Guyart de joodse handelaarster Glikl bas Judah Leib (1646-1724) en de protestantse geleerde Maria Sibylla Merian (1647-1717) voor het voetlicht treden, moest Davis een handvat bieden om de invloed van diverse religies op het leven van zeventiende-eeuwse vrouwen te vergelijken.

Creativiteit

Het spannende aan Davis' energiek en initiatiefrijk trio is dat het alle drie vrouwen waren die ervoor kozen om te gaan schrijven. Dat is natuurlijk ook precies waardoor we nu nog sporen van hen kunnen terugvinden (voor zolang het duurt trouwens, want de militaire coup in Suriname heeft bijvoorbeeld de conservering van Merians werk in Fort Zeelandia geen goed gedaan). Toch selecteerde Davis hen niet om die praktische reden. Het gaat haar om dat schrijven zelf, wat toen voor vrouwen ongebruikelijk was. Hun werk toont, meent Davis, hoe belangrijk creativiteit was in hun leven, en hoezeer schrijven een medium vormde zowel om zichzelf te leren kennen als om anderen te onderzoeken, als ook voor exploraties op het gebied van de moraal.

Glikl, als twaalfjarige uitgehuwelijkt, begon te schrijven nadat ze weduwe was geworden - om de pijn uit haar hart te verdrijven. Ze was toen midden veertig, had twaalf kinderen en zette met succes de door haar en haar man opgezette handel voort. In haar boeken vermengde ze autobiografie met volksverhalen, verhalen uit de joodse traditie en anekdotes uit het zakenleven. Maria Sibylla Merian, die na een treurig huwelijk haar man verliet om in een radicaal-protestantse sekte te gaan, liet geen autobiografisch materiaal na.

Maar haar wetenschappelijk werk, waarmee ze al op dertienjarige leeftijd begon, geeft blijk van een grote gedrevenheid en artisticiteit. Ze reisde voor haar onderzoekingen naar Afrika en Zuid-Amerika. Wonend in Suriname beluisterde ze de verhalen van haar slavinnen (want die bezat ze), die vaak over grote kennis van inheemse kruiden en planten beschikten; ze benutte hun kennis niet alleen in haar botanische tuin maar ook in haar wetenschappelijke verslagen. Glikls memoires, bewaard gebleven in de familie, werden pas in 1896 voor het eerst gedrukt; in 1910 werd haar werk door Freuds bekende patiënte Bertha Pappenheim ('Anna O.') uit het Jiddisch in het Duits vertaald; het was tot de nazitijd verkrijgbaar. Merian daarentegen was al tijdens haar leven beroemd om haar natuurgetrouwe aquarellen en haar nauwgezette observaties en beschrijvingen van exotische bloemen en insekten. Linnaeus citeerde haar en tsaar Peter de Grote kocht haar tekenwerk aan voor de Russische academie.

Women on the Margins is een mooi boek. De auteur, Natalie Zemon Davis, gespecialiseerd in Franse geschiedenis, is the grand old lady van de vrouwengeschiedenis en behalve dat ook de schrijfster van het in brede kring geprezen The Return of Martin Guerre (1983), waarin naast thema's als klasse en het plattelandsleven ook de vraag naar de betekenis van sekse al een rol speelde. Net als in haar nieuwste boek, dat over drie stadse vrouwen gaat, benaderde ze in Martin Guerre haar periode door middel van intensief onderzoek naar de lotgevallen van een enkel individu. In Women on the Margins gunt Davis ons via Glikl, Marie en Maria Sibylla opnieuw een rijke blik op de vroeg-moderne wereld. Zo beschrijft ze aan de hand van Glikl uitgebreid de ontwikkelingen in de positie van de joden in het zeventiende-eeuwse Hamburg.

En in haar stuk over Merian laat ze vooral ook zien wat deze zelf niet vertelde, zoals hoe de door haar geclassificeerde planten en insekten door de oorspronkelijke bevolking werden gebruikt in rituelen. Methodologisch is dat interessant, want behalve dat zij zich terdege inleeft in haar hoofdpersonen, bewaart Davis als biografe dus ook zorgvuldig afstand en verplaatst ze zich in degenen met wie deze omgingen. Zo probeert ze bijvoorbeeld de namen te reconstrueren van de slavinnen die door Merian anoniem werden opgevoerd.

Davis maakt met deze studie haar reputatie als gedreven en erudiet historica waar. Ze bezocht voor haar onderzoek alle plekken waar haar drie heldinnen heenreisden, leerde om de oorspronkelijke Glikl te kunnen lezen zeventiende-eeuws Jiddisch en verzamelde aldus een zee aan gegevens. Toch slaagt ze er niet echt in het boek een wijdere strekking te geven. De beloofde vergelijking van de invloed van hun respectieve religies op de gelovige schrijfsters komt onvoldoende uit de verf. Dat maakt Women on the Margins, hoe verzorgd inhoud en vormgeving ook zijn, vooral interessant voor wie geïnteresseerd is in de drie hoofdpersonen of hun tijd.