In het kielzog van de paus

Tentoonstelling: Roomsch in Alles, het rijke roomse leven 1900-1950. Van 23 maart t/m 30 juni in Museum Catharijneconvent, Nieuwegracht 63, Utrecht. Geopend dinsdag t/m vrijdag van 10-17 uur, zaterdag en zondag van 11-17 uur.

Catalogus: 112 blz., Waanders 1996, ƒ25.-

Wie een indringend beeld wil krijgen van het rijke roomse leven uit de eerste helft van deze eeuw, moet in Utrecht de tentoonstelling 'Roomsch in alles' bezoeken. De Nederlandse katholieken, zo spreekt uit elk detail op deze expositie, waren in deze halve eeuw roomser dan de paus. De loyaliteit aan de wereldkerk uit die jaren was onbegrensd. Vermoedelijk nergens ter wereld was er een volgzamer kudde te vinden dan onder het katholieke volksdeel in die jaren. Geen land ter wereld ook bracht relatief zoveel missionarissen voort. In 1930 kwam 30 procent van alle missionarissen ter wereld uit Nederland.

We gissen naar verklaringen. De Leidse historicus Pieter de Coninck, die samen met Paul Dirkse de tentoonstelling in Museum Catharijneconvent samenstelde, wijst erop dat de katholieken in Nederland een minderheid vormden, en er meer dan in andere landen belang bij hadden zich als groep te profileren. De Nederlandse katholieken hebben een vijandbeeld van de calvinisten kunnen scheppen, en ze hebben zich door middel van hun geloof willen emanciperen, aldus De Coninck, zelf geboren in 1964 en afkomstig uit een katholiek gezin in Roosendaal. Hij verklaart de relatief snelle teruggang in Nederland van het geloof in de jaren zestig uit een overreactie na de overspannen geloofsijver in de decennia daarvoor.

Ontheiliging

De tentoonstelling wil echter geen verklaringen opdringen, maar het leven tonen zoals het werkelijk is geweest. Dat laatste was moeilijk genoeg, zegt De Coninck. Er is weliswaar veel materiaal beschikbaar zoals katholieke schoolboekjes en plaatjes, maar relatief weinig documentatie over alledaagse situaties. Katholieken die bijvoorbeeld voor hun heiligenbeeld zitten te bidden, zijn vrijwel nergens te vinden. Wellicht hebben weinigen in die tijd ook maar een seconde durven denken dat vijftig jaar later nieuwe generaties er met grote ogen van bevreemding naar zouden kijken, en dat het dus de moeite zou kunnen lonen er speciale aandacht aan te besteden. Misschien ook zou een sociologische benadering in die jaren als een ontheiliging van het eigen geloofsleven zijn beschouwd.

Wie opgroeide in een goed katholiek gezin werd er al vroeg volledig door in beslag genomen. Men werd als boreling zo snel mogelijk gedoopt, allicht, en verder waren veel kinderen lid van katholieke clubjes. Sommigen sloten zich aan bij het Pauselijk Genootschap van de H. Kindsheid, dat de bewustwording ter hand nam van de noodzaak om verre volken zoals het Afrikaanse en het Chinese te bekeren. Een groot deel van de roomse kinderkens beleefde ook veel plezier aan het 'misje spelen', het opdragen van de eucharistieviering voor een huisaltaar dat in religieuze winkels te koop werd aangeboden, getooid in een heuse kazuifel. Verder was er natuurlijk het dagelijkse bidden aan tafel, het avondlijke gebruik van het wijwaterbakje aan de muur in iedere kinderkamer om de duivel af te zweren, de zondagse mis, en niet te vergeten het met godsdienst doordesemde katholieke onderwijs.

Een belangrijke stoot tot de opvatting dat katholieken niet vroeg genoeg met het geloof in aanraking konden komen, was het besluit van paus PiusX om de uitreiking van de eerste communie te vervroegen van het twaalfde naar het achtste levensjaar.

Dat besluit, uit 1910, hield meteen ook in dat kinderen al vanaf hun achtste jaar nuchter moesten zijn voor de mis, en bovendien daaraan voorafgaand gebiecht moesten hebben. Deze kinderbiecht heeft veel gewetensconflicten veroorzaakt, al was het maar omdat veel kinderen niet goed wisten wat ze moesten biechten en naarstig zochten naar zonden die in aanmerking zouden kunnen komen voor absolutie. Een stroom van boekjes over hoe te biechten was de kinderen behulpzaam, met titels als 'Lieve Heer, hier ben ik weer'. Vooral de fraters van Tilburg hebben zich met soms zwaar-moralistische toon ingezet voor de redding van de kinderziel.

Het is een understatement om te beweren dat dit type katholicisme totalitaire trekken vertoonde. Anderzijds lieten veel katholieken zich de bemoeizucht graag aanleunen. Het gezag creëerde een mentale verzorgingsstaat van de wieg tot het graf.

Velen, vooral vrouwen, mag het hebben verhinderd zoiets als een persoonlijke identiteit op te bouwen, anderen hebben de kerkelijke adviezen als een leidraad beschouwd, een hulp ook bij het opbouwen van een roomse carrière.

Het totalitaire karakter deed zich met name gelden op het seksuele vlak.

De nadruk op kuisheid en op de procreatie als enige doel van geslachtsverkeer binnen het huwelijk had iets van een obsessie. Hevig was de discussie in het Nederland van de jaren dertig toen de katholieke arts J.N.J.

Smulders voor echtparen de mogelijkheid opperde zich periodiek te onthouden van geslachtsverkeer, zich baserend op de Ogino-Knaus-methode, de respectievelijk Japanse en Oostenrijkse artsen die naar de vrouwelijke vruchtbaarheidscyclus onderzoek hadden gedaan.

De geestelijke stand in Nederland bleeft doorgaans bij het standpunt dat er altijd zoveel mogelijk kinderen moesten worden verwekt. Een pastoor legde vroeger, vooral in het zuiden van het land, met grote vanzelfsprekendheid kort na een huwelijk huisbezoeken om te informeren of er al kinderen in aantocht waren. Eén kind is geen kind, zo leerde het gezag, via onder meer de in Utrecht aanwezige propagandafilm Levensgang van de Bond voor Grote Gezinnen, waarin een eenzaam jongetje een 'toren van verlangen' bouwt naar de genegenheid van zijn moeder. De vrouw des huizes weet bij alle vrije tijd niets beters te doen dan wufte rook de lucht in te blazen en haar nagels te vijlen.

De bekende radiopater Henri de Greeve keurde ook het verwekken van slechts twee kinderen ten strengste af. Dergelijke kinderen groeiden volgens de jezuïet op tot “verwende dwingelanden, lastige karakters, verwende naturen, geblaseerd, vroeg rijp, dikwijls vroeg rot”, zo vermeldt de catalogus.

Huiskamer

De samenstellers van de expositie hebben in Utrecht een huiskamer nagemaakt waarin de feestdag van de eerste communie aanschouwelijk wordt gemaakt. Het is een aandoenlijk tafereel. Een meisje in haar witte communiejurk neigt naar heeroom die haar komt feliciteren, vader rookt een sigaar en moeder snijdt de taart aan. Aan de muur hangt een pauselijke huiszegen, naast de radio ligt een luisterdiploma van de KRO uit 1937, op het dressoir staat een Heilig Hartbeeld. Elders in de kamer staan beelden van de in Lourdes verschenen Maria en van de heilige Theresia van Lisieux, de karmelites die zich in de geest als speelbal aanbood aan Jezus en die had beloofd na haar dood rozen te zullen doen strooien op aarde.

Zo moeten de katholieken van toen zijn geweest. Wie ze als poppen ziet staan, beseft eens te meer dat ze onbereikbaar zijn geworden, verdwenen in hun knusse genoegens.