Hulp bij suïcide

B.E. CHABOT: Sterven op drift. Over doodsverlangen en onmacht

279 blz., SUN 1996, ƒ34,50

Alle mensen moeten sterven, maar voor wie het leven zat is lijkt elke dag te veel. Op 21 september 1939 herinnert de 83-jarige Sigmund Freud zijn arts Max Schur aan de afspraak hem niet in de steek te zullen laten wanneer het zijn tijd zou zijn. Het leven is Freud door de terminale vorm van kanker een kwelling geworden. Schur blijkt de afspraak niet vergeten te zijn, waarop Freud een zucht van verlichting slaakt. Of Schur het maar met Freuds jongste dochter Anna wil bespreken: “Als zij het goed vindt, maak er dan een eind aan”, zegt Freud.

Anna wil het fatale moment liefst nog wat uitstellen, maar in de ogen van Schur is het zinloos Freud nog langer in leven te houden. Diezelfde dag dient de arts Freud een injectie morfine toe, waarop deze wegzakt in een vredige slaap. Wanneer Freud onrustig wordt, geeft Schur hem opnieuw een injectie en de volgende dag, 22 september, dient hij een laatste dosis toe. Om drie uur in de nacht van 22 op 23 september 1939 komt er een einde aan het leven van Freud. “De oude stoïcijn had zijn leven tot het einde in eigen hand gehouden”, zo besluit Peter Gay zijn befaamde biografie over Freud.

Ruim een halve eeuw later blijken de (juridische) spelregels voor de arts bij actieve levensbeëindiging uitgekristalliseerd en vrijwel algemeen bekend. Hoe het precies zit met de rol van de arts inzake hulp bij suïcide is veel minder bekend, terwijl zich juist op dit terrein recent een aantal belangrijke ontwikkelingen heeft voorgedaan. Wie graag wil weten wat de stand van zaken is op dit gebied, mag zich het zojuist verschenen Sterven op drift. Over doodsverlangen en onmacht van psychiater Chabot niet laten ontgaan. Chabot werd landelijk bekend door het proefproces over de hulp bij suïcide die hij verleende aan een lichamelijk gezonde 50-jarige vrouw met een (op zichzelf begrijpelijk)

langdurig doodsverlangen. Daarover schreef hij reeds in Zelfbeschikt (1993).

Nadat het Gerechtshof van Leeuwarden Chabot in 1993 had ontslagen van rechtsvervolging en de Hoge Raad hem in 1994 schuldig had geoordeeld zonder straf op te leggen, kreeg hij op 6 februari 1995 ten slotte een berisping van het Medisch Tuchtcollege wegens het 'ondermijnen van het vertrouwen in de medische stand'.

Moe geworden van het geweld van de publiciteitsmachine besloot Chabot niet in beroep te gaan tegen die laatste uitspraak. Overigens ziet Chabot de uitkomst van het contact met de 50-jarige vrouw als een worsteling, een verloren gevecht.

Sterven op drift is behalve leerzaam soms dodelijk vermoeiend, wat extra inspanning en concentratie van de lezer vergt. Chabots stijl is meestal verzorgd, soms meanderend of gewoonweg omslachtig. In de twaalf opstellen worden veel interessante onderwerpen aangesneden, maar natuurlijk is niet altijd alles even geslaagd.

De gedeelten over psychotherapie bijvoorbeeld missen scherpte. Maar er staan ook prachtige stukken in het boek, zoals 'Versterving, een oude weg naar Rome' over mensen die, omdat ze het leven zat zijn, niet meer willen eten en drinken. Zo'n persoon neemt zijn lot, net als bij suïcide, in eigen hand, met een gerede kans dat de omgeving inclusief de arts dit besluit zal respecteren.

Na een stortvloed van juridische uiteenzettingen vind je hier ineens een beschrijving van het eenvoudige sterven van alledag. “Zoals water verdampt uit een meer en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet weer op.” (Job 14:11-12) De auteur ziet er een bijbelse aanduiding van versterving in. Al eeuwen lang gaan mensen op deze manier dood. Er is verschil tussen ziekenhuis en verpleeghuis in de manier waarop men omgaat met mensen die niet meer willen eten en drinken. In het ziekenhuis worden patiënten in het algemeen gestimuleerd dit te blijven doen, in het verpleeghuis niet.

Het geleidelijk staken van eten en drinken hoeft bij goede verzorging geen lijden op te leveren, schrijft Chabot. Door deze 'oude weg naar Rome'

opnieuw te bewandelen, hoopt hij de voorvechters van de eigen wilsbepaling en de tegenstanders (uit het pro-life-kamp) tot elkaar te brengen.

Fel keert de schrijver zich tegen de psychiatrisering van het doodsverlangen, waarmee hij bedoelt dat psychiaters van op zichzelf begrijpelijk verdriet een psychiatrisch ziektebeeld maken. Hemzelf treft het omgekeerde verwijt, namelijk dat hij de indruk wekt liever de gezonde dan de pathologische kant van zijn patiënten te willen zien, wat het risico van het over het hoofd zien van een behandelbaar ziektebeeld kan betekenen.

Echt onvergetelijk is 'Klaar met leven - portret van een oude dame', waarin de schrijver zakelijk verslag doet van de zorgvuldige procedure rond de doodswens en levensbeëindiging van een lichamelijk gezonde 100-jarige vrouw. Er komen drie artsen aan te pas: de huisarts, psychiater en psychogeriater. De praktische toepassing van begrippen als weloverwogen, wilsbekwaamheid en duurzaamheid komt hier prima uit de verf. Door de letterlijke weergave van het gesprek, is het of je even over de schouder van de psychiater mee kunt kijken: “Dokter, geeft u me alstublieft een bewijsje dat ik niks meer aan het leven heb.” Ze is dement noch depressief, ze krijgt haar zin, een glas met een dodelijke drank.

De auteur is geen voorstander van hulp bij suïcide aan patiënten die opgenomen zijn in een psychiatrisch ziekenhuis, omdat daar behalve “vele broze pogingen tot een nieuw begin een concentratie van besmettelijke doodsverlangens bestaat. Velen zijn met zichzelf in gevecht, op leven en dood, en dat alles gist en wringt door elkaar op luttele vierkante meters bijeengepakt”. Zelf werkt hij onder meer in een ambulante praktijk in Zeeuws-Vlaanderen. Zijn standpunt is duidelijk, maar het riekt toch ook een beetje naar ongelijke behandeling.

Hulp bij suïcide zal wel nooit een routineklus worden, getuige de volgende droom van de schrijver. Na afloop van de rechtsgang droomt hij dat hij als chef van een psychiatrische afdeling in het dagverblijf met wat mensen zit te praten. Opeens komen er allerlei vreemde types op hem af die schreeuwen dat ze door hem 'geholpen' willen worden. Van alle kanten sluiten ze hem in, scanderend 'Mijn God, help ons'. Als chef de clinique zou Chabot het wel weten: “Doodsverlangens zijn ons dagelijks brood, maar hulp bij de uitvoering - dáár beginnen we niet aan. Punt.”