Hollands Dagboek: Frank Martinus Arion

De schrijver en dichter Frank Martinus Arion (Curaçao, 1936) hield in het kader van de Boekenweek de afgelopen week een serie lezingen. Arion brak in 1973 door met de roman Dubbelspel, die bekroond werd met de Van der Hoogtprijs. Arion woont op Curaçao waar hij directeur is van het taalburo 'Instituto Lingkwistiko Antiano'. Arion is getrouwd met Trudi Guda. Zij hebben een dochter, Margina Isis (16).

Woensdag 13 maart

Keelpijn. Verschrikkelijke keelpijn. Geen keelpijn, huigpijn.

Over enkele ogenblikken verdwijnt dat orgaantje in mijn keelgat. Zo voel ik me de ochtend na het Boekenbal. Het was wel leuk allemaal maar ik hoor vanavond in Assen mijn eerste lezing te houden. Uit een serie van achttien. Als het niks wordt, stel ik niet alleen mijn hooggeeerd publiek teleur, maar ook het efficiënte team van Schrijvers School Samenleving (SSS)

dat dit alles heeft voorbereid.

Niks anders dan mensen ontmoet ik eigenlijk: Rudi Fuchs, met wie ik in Leiden gestudeerd heb; in dertig jaar niet meer gezien. Arie van den Berg, die voor mij een heuglijke mededeling heeft: het boek met de lezingen die het vorig jaar bij het negentig jarige jubileum van de V.v.L. gehouden zijn, krijgt als titel een uitdrukking die ik toen in mijn lezing heb gebruikt: De zwaarte van vleugels.

Enkele Nederlandse schrijvers zijn in de loop der jaren voor mij familieleden geworden; het doet me altijd goed ze weer even te zien. Gisteravond was ik dubbel zo uitgelaten omdat ik per 1 maart 1996 met de vut ben gegaan, zoals dat hier heet. Aan dansen kwam ik niet toe. Al had ik de meest swinging danspartner die ik me wensen kon, Denise Jannah.

In Assen treden Cynthia McLeod en ik en een verhalenverteller op. Onze interviewster is een neerlandica, moeder en politica. Als ik aan de moderne vrouw van de toekomst denk, stel ik mij dàt voor: moeder, geleerde en politica. Cynthia brengt twee typen herinneringen in leven. Die aan haar man, die ook een studiegenoot van mij was uit Leiden en een interessante niet-schrijvende filosoof. Ik ben nog ceremoniemeester geweest bij hun huwelijk. Cynthia herinnert me ook aan de zes jaar dat ik aan het Surinaamse Taleninstituut in Paramaribo Nederlandse literatuur heb gedoceerd.

Het was eigenlijk werk dat ik ook als hobby zou hebben gedaan. We bestudeerden bij voorkeur die schrijvers die de doorgaans nationalistische literatuurkritiek buiten de literatuur trachten te houden. Hoewel deze activiteit door anti-kolonialistische gevoelens werd ingegeven, leidde ze vaak tot beter begrip van oudere literatuur, omdat ze blinde vlekken in de informatie invult. Zo heb ik daar de puzzle van de Camera Obscura kunnen invullen met de anti-koloniale, pro-abolitionistische visie van Hildebrand, waardoor de coherentie van De familie Kegge optimaal wordt en het boek niet alleen pruimbaar maar zelfs modern; misschien zelfs een opstap voor de Max Havelaar. Ik ben van plan deze draad weer op te nemen in het Het Krolse Nederland, een project dat ik aanstaande vrijdag met mijn uitgever ga bespreken.

Donderdag

Nooit meer verplicht zijn te werken. In hotel De Filosoof waar ik vertoef en waar ze elke donderdagavond een filosofische bijeenkomst hebben, zie ik dat de filosofie eindelijk van de abstracte bergen tot het leven zelf is gedaald: Stefan Carr, Ida Jongsma en Dries Boele hebben meer dan tien denkers bereid gevonden om het nu eens niet over de ziel of de dwaasheden van Descartes te hebben maar over 'Anatomie van voetbal als subcultuur', 'Sex: een onmogelijk gebeuren', 'Winkelen'. En wat mij vooral aanspreekt in deze blijde toestand van mijn ziel: Waarom werken wij? Broeders, een van de populairste merengues, El Negrito del Batey waarmee ik ben opgegroeid, en waar ik helaas eigenlijk te weinig aandacht aan heb besteed, zegt het zo:

Ze noemen mij de losbandige Neger

Want werken is mijn vijand

Werken laat ik maar aan de ezel over

Want God heeft het werken als straf bedacht

De enige correctie die ik wil aanbrengen, is de toevoeging: verplicht werken. Verplicht lesgeven, aan school of universiteit; Verplicht adviseren, minister of directeur; verplicht schrijven.

Bijvoorbeeld één boek elk jaar omdat je anders vergeten wordt.

Bij de televisie weten ze er alles van. Voor het programma Televizier, dat eergisteren is uitgezonden over een ontmoeting tussen Henry Thijssing-Boer en mijn persoon is drie dagen in honger en kou gefilmd. Voor een programma van acht minuten!

Eén op de vijfhonderd dus! Zo hoort het. Zoals de camera loopt, loopt en loopt, zo moet je lang rondlopen om één boek op te leveren. Vraag het maar aan Tip Marugg. Die doet het ook rustig aan al heeft hij het er altijd over, dat ik met een schrijfblok zou moeten worden opgesloten om niets anders te doen dan schrijven.

Ik moet een belangrijke klus klaren voor ik me op weg naar Roosendaal begeef: acceptgirokaarten maken om tijdens mijn lezingen geld voor onze school in te zamelen. Een blijde noot is alvast dat de afdeling Groningen van het Humanistisch Verbond die in november haar 50-jarig jubileum viert, een donatie wil doen aan onze Kolegio Erasmo.

(We hebben drie miljoen nodig om een nieuwe school te bouwen en een permanente wetenschapstentoonstelling in te richten).

Als ik op het punt sta het hotel te verlaten, belt Eddy Wijngaarden op of ik op zijn kantoor langs wil komen. We zijn bezig te onderzoeken of we tot een verfilming van Dubbelspel kunnen komen. Ik spoed me erheen na een kort bezoek aan de Postbank in de Bijlmer. Een heel andere Bijlmer dan waar ik in begin zeventig met mijn vrouw Trudi Guda een jaar heb gewoond.

Van Eddy hoor ik dat er om drie uur die middag in café De Kroon een nieuwe cultureel tijdschrift gelanceerd wordt. Het heet Roof en wil een onderdak zijn voor dat deel van de cultuur dat in deze zogenaamde multiculturele samenleving niet aan bod komt.

Eén van de initiatiefnemers heeft het over 'wij allochtonen die in hetzelfde schuitje zitten enz.' Dat klinkt al bedreigend: een vertegenwoordiger van Vroom en Dreesmann vindt dat met 'eigen schuitjes' autochtonen kunnen worden uitgesloten. De initiatiefnemer hoort volgens mij nu te antwoorden: Barst!

Maar dat kan natuurlijk niet als je een tijdschrift lanceert waarin je hoopt dat ook Vroom en Dreesmann gaat adverteren. De initiatiefnemer wringt zich dus in bochten om het onmogelijke te zeggen: 'Een tijdschrift waarin de uitgeslotenen aan bod komen zonder hun uitsluiters uit te sluiten.'

In Roosendaal vind ik de vorm die ik eigenlijk verder bij mijn voordrachten wil aanhouden. Een aantal gedichten, een stuk uit Dubbelspel, een stuk uit Nobele Wilden en een stuk uit De Laatste Vrijheid. Het zoveel mogelijk daarheen zien te leiden, dat het publiek en ik het meer over het hoe dan het wat hebben.

In de loop der jaren ben ik toch iets te veel in de richting van het wat geduwd. Terwijl ik van mezelf vind dat ik een experimenteel schrijver ben, zij het meer in de zin van Emile Zola dan van de vijftigers. Een experimenteel schrijver weet niets en heeft eigenlijk ook geen onderwerp. Hij wil juist dingen aan de weet komen. Wreed als kinderen die dieren opensnijden om te weten hoe ze binnenin tikken, brengt hij een aantal figuren bij elkaar in een bepaalde tijd en ruimte en noteert wat hun reacties onder die druk zijn. Lachen ze? Barsten ze? Dat alles zoveel mogelijk op een manier die maakt dat de lezer zijn huwelijks- en verjaardag vergeet, zijn vliegtuig mist, zijn eten laat aanbranden, in de berm terecht komt enz.

Vrijdag

Vanmorgen heb ik eerst een gesprek met een van de begeleiders van mijn proefschrift, daarna op de Bezige Bij een bespreking met mijn uitgever Albert Voster. (Ik moet trouwens niet vergeten dat mijn dochter op 21 maart a.s. jarig is. En dat ik dus moet opbellen).

Drie zaken bespreek ik met Albert. 1) Gedichten: de mensen voor wie ik zondagmiddag in Harderwijk optreed, geven altijd als er een schrijver bij hen op bezoek komt een blad uit: Lyra. In mijn geval hebben ze daarin ook een aantal van mijn verspreide gedichten gepubliceerd. Dat heeft bij mij het idee van een bundel weer wakker gemaakt.

2) Een boekje over de creoolse contacten van Nederland vanaf de 17de eeuw. Het krolse Nederland en 3) een biografisch geschrift voor mijn dochter omdat al haar oma's van vaderskant al dood waren toen ze geboren werd.

Die avond in Oosterwolde word ik weer geïnterviewd door zo'n prachtige renaissancistische jonge mevrouw: jong, kinderen, gestudeerd en sociaal geengageerd. We hebben de grootste lol daar: ten eerste met het verslag in de Volkskrant van mijn optreden in Assen, met daarbovenop de lezing van het wulpse gedicht Blanke Negerinnen dat het uitgangspunt van dat verslag vormt. Met de Cubaanse zangeres Estrella Acosta, die een schat van mooie liederen vol beweging zingt. En met haar blanke bongo-begeleider André Groen, die mij herinnert aan een regel uit een gedicht, die ik zeker ook in mijn bundel zal opnemen: In de Bamboebar in Amsterdam speelt een Hollandse jongen tegenwoordig fantastische tamtam.

Zaterdag

De Nacht van het Boek in Eindhoven geeft aan hoe het Boekenbal in Amsterdam eigenlijk opgezet had moeten worden, met bijvoorbeeld vijf verschillende zalen, ieder bestemd voor een Zuidamerikaans ritme: de son, tango, de guajira, de merengue en, omdat de Antillen nog steeds in het Koninkrijk zitten, één voor de tumba. En reservezalen voor de rumba, guaguanco, chachacha, mambo. Eindhoven heeft die zalen niet, maar wel twee andere unieke aspecten.

Ten eerste wordt het optreden van de vijf schrijvers afgewisseld met de tango en guitaarmuziek.

Ten tweede heeft de Antilliaanse kunstenaar José Flores samen met deze schrijver een kunstwerk gemaakt dat in 175 genummerde en getekende exemplaren onder het publiek wordt verloot.

Zondag

Mijn optreden in Harderwijk voor het literaire gezelschap Apollo is een hoogtepunt van deze toernee. De leden hebben mijn werk zo serieus bestudeerd, dat ik zo nu en dan het gevoel heb uit deze prachtige, oude stad afkomstig te zijn. Literatuur maken is voor mij eigenlijk vrienden maken, familie maken.

Maandag

In Zutphen treed ik weer samen met Carolijn Visser op. Dat is zeer aangenaam omdat deze dame door wijsheid en wereldwijdsheid wordt omgeven. Dat zijn zeer dure produkten in een tijd dat het nationalisme weer welig tiert, van Sarajevo tot Bolkestein. De tweede aangename factor is dat de bibliotheek in een oude Gothische kerk is gevestigd. Als humanist kan ik me geen betere bestemming voor kerken voorstellen. De derde factor is dat een neerlandicus de schrijvers interviewt en de avond leidt. Een vierde aangename factor is dat een groot aantal oude bekenden van mij zich de moeite hebben getroost om hierheen te komen. Onder hen Frits Stenfert Kroese en zijn vrouw. Hij gaf het studentenblad en de studentenalmanak in Leiden uit waarin zoveel van mijn gedichten staan.

Dinsdag

Opnames voor Ik heb al een boek. Leuke vragen van Aad van den Heuvel. Ten eerste de positie van de Nederlandstalige literatuur in het Caribische gebied.

Ik meld, niet zonder enige trots, dat de Nederlandstalige literatuur in het Caribische gebied enigszins vooruit loopt op de literatuur in de andere taalgebieden. Zo wordt bijvoorbeeld het thema van de creolisering van de blanke in het Caribische gebied door Cola Debrot al in 1934 aan de orde gesteld in zijn novelle Mijn Zuster de Negerin, terwijl dat in het Engelse taalgebied pas met Jean Rhys in de zestiger jaren aan de orde komt.

Een tweede interessante vraag is de verhouding van de Nederlandstalige literatuur van het Caribische gebied tot de Nederlandse literatuur. Mijn standpunt is dat de literatuur niet aan geografische grenzen gebonden hoort te zijn. Ik heb nu eenmaal een broertje dood aan nationalisme, al kom ik op voor mijn kleine talen, het Papiamentu en het Nederlands.

In Deventer worden Cynthia McLeod en ik kundig geïnterviewd door niemand minder dan Gerda Havertong. De godin van de witte lach zit nog in een rolstoel, maar haar stem en haar humor zijn al volkomen de oude.

Woensdag 20 maart

Ondanks de wedstrijd Ajax-Borussia toch een volle bak in Amstelveen. Ook zeer geïnteresseerde jongere mensen. Lekker meer aandacht besteed aan het hoe dan het wat.