Hallucinaties bij oudere mensen met een oogafwijking

NIJMEGEN, 23 MAART. Oudere mensen met oogafwijkingen blijken vrij vaak last te hebben van 'goedaardige' hallucinaties. Dit blijkt uit onderzoek van artsen in Nijmeegse Radboudziekenhuis onder 505 oudere mensen met een visuele handicap. Bijna een achtste deel van hen (63) heeft last van zinsbegoochelingen. De hallucinaties lopen uiteen van het zien van een niet bestaande hoed in de kamer tot miniatuur-agenten die op straat een dwerg opbrengen naar een miniatuur-gevangeniswagen. De meeste beelden hebben geen emotionele, persoonlijke inhoud.

De artsen schrijven dit in een artikel dat vandaag wordt gepubliceerd in het Britse tijdschrift The Lancet. Zij onderzochten het als zeldzaam beschouwde Charles Bonnet-syndroom. Belangrijk kenmerk van het syndroom is dat de patiënt vrijwel altijd beseft met hallucinaties te maken te hebben. Het syndroom is genoemd naar de Zwitserse natuurfilosoof Charles Bonnet (1720-1793), die in zijn Essai analytique sur les facultés de l'âme (1760) beschrijft hoe zijn grootvader op hoge leeftijd velen wist te boeien door te vertellen over de hallucinaties die hij op het behang en tapijt van zijn woning voorbij zag trekken.

Van de ondervraagde ouderen met hallucinaties weigerden uiteindelijk twee van hen verdere medewerking aan het onderzoek. Een ander bleek niet te beseffen dat het om zinsbegoocheling ging. De zestig overgebleven 'echte' lijders aan het Bonnet-syndroom varieerden in leeftijd van 46 tot 98 jaar, met een gemiddelde van 75. De meesten lijden aan degeneratie van het netvlies. Anderen hebben oogproblemen in verband met suikerziekte, glaucoom of een hoornvliesziekte.

De hallucinaties van de in Nijmegen onderzochte patienten blijken gemiddeld rond het 72ste levensjaar te beginnen, en verschijnen gemiddeld eens in de drie maanden. De duur varieert van een paar seconden tot een paar uur. Sommigen hebben er iedere dag last van. Ruim tachtig procent van de patiënten zegt altijd onmiddellijk te beseffen met een hallucinatie van doen te hebben. De overigen zijn soms even misleid, vooral als het gaat om 'realistische' hallucinaties, zoals koeien in een wei die verder niemand blijkt te zien. Een derde van de patiënten reageert angstig of geïrriteerd op de beelden. Een derde reageert 'neutraal' en ruim tien procent reageert geamuseerd.

Over de oorzaak van de hallucinaties is weinig bekend; een effectieve behandeling is er niet. Sommige wetenschappers zoeken de verklaring in overactiviteit van beschadigde visuele centra, vergelijkbaar met 'fantoompijn' in een afgezet lichaamsdeel. Vrijwel alle patiënten waren opgelucht toen ze hoorden dat zij leden aan een syndroom dat benoemd was en niet als geestelijke afwijking wordt beschouwd.

Bijna driekwart van de patienten heeft hun buitengewone ervaringen ook niet verteld aan een dokter, omdat ze bang waren niet serieus te worden genomen of dat de arts zou zeggen dat ze gek waren. Van de zestien patiënten die er wel over spraken met hun huis- of oogarts, kreeg er slechts één de juiste diagnose te horen. Een ander die wegens familieproblemen naar een psychiater was gegaan en deze had verteld van haar zinsbegoochelingen, kreeg anti-psychotische medicijnen voorgeschreven.