Grote kwesties vereisen een subtiel samenspel tussen overheden en burgers; Politiek heeft pressiegroepen hard nodig

De politiek moet zich minder aantrekken van pressiegroepen, betoogden op deze pagina Klaas Groenveld en Kees Klop. Een meer soevereine opstelling zou goed zijn voor de democratie. Maar volgens Hugh Gallacher en Wouter van der Kolk getuigt die analyse van een verouderde kijk op politiek.

De parlementaire democratie is in gevaar. Wanneer politici zich ontvankelijk betonen voor belangengroepen, komen zij al te gemakkelijk in de verleiding om één bepaald issue te verdedigen. De afweegfunctie die de politiek behoort te hebben, komt in het gedrang en het algemene belang wordt weggedrukt. Tot deze ernstige vermaning komen Klaas Groenveld en Kees Klop in deze krant (15 maart). De politicus moet zich minder aantrekken van de actiegroep, zo luidt het devies van de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van respectievelijk VVD en CDA.

Maar bepaald wetenschappelijk is hun analyse niet. Op de eerste plaats is er de misvatting dat er maar twee soorten politiek relevante organisaties zijn: politieke partijen en single issue-bewegingen. Die single issue-organisaties “trachten buiten de politieke partijen om hun verlangens door directe actie gericht op regering en parlement door te drijven”, aldus Groenveld en Klop. Met onverholen dédain duiden Groenveld en Klop deze doordrijvers aan als 'belangenclubs', 'actieclubs' en 'actiegroepen'.

De gedachte dat er buiten de politieke partijen alleen nog maar behartigers van enghartige particuliere groepsbelangen zouden bestaan, is een onoordeelkundige versimpeling. Toegegeven, er zijn natuurlijk organisaties als de actiegroep 'Tweede Coen niet doen' en de Initiatiefgroep Bovenkerkerpolder die hun wezen ophangen aan één specifieke doelstelling (het niet aanleggen van een tweede Coentunnel of het bouwen van woningen in de Bovenkerkerpolder).

Zulke organisaties richten de blik op één punt aan de horizon. Maar daarnaast is er nog een type organisatie dat uit de aard van haar functie een veel bredere optiek heeft. Een Kamer van Koophandel en een Milieufederatie zijn juist breed georiënteerd. Geïnspireerd door hun missie (bijvoorbeeld bevordering van het economisch verkeer of van een hoogwaardig leefmilieu), dragen deze regionaal opererende organisaties bij aan het maatschappelijk debat over de kwaliteit van het bestaan en een duurzame samenleving. Zij bundelen individuele opinies en lokale belangen, ontwikkelen visies en alternatieven, overstijgen partijstandpunten en kijken over de horizon heen van de periode tot aan de eerstvolgende verkiezingen. Zulke breed georiënteerde maatschappelijke organisaties verwijderen van de stoep van de ministeries, zoals Groenveld en Klop aanbevelen, getuigt van politieke eigenwaan.

Het is overigens nog maar de vraag of genoemde organisaties vaak op de stoep van een ministerie aan te treffen zijn. Daarmee komen wij op ons tweede bezwaar tegen het betoog van Groenveld en Klop. Maatschappelijke organisaties als Milieufederaties en Kamers van Koophandel laten overal van zich spreken waar nagedacht wordt over belangrijke keuzen en prioriteiten, in kranten, boeken en tijdschriften. En zij doen dat lang niet alleen “in het voortraject van de politieke besluitvorming” waarnaar Groenveld en Klop hen wensen te verbannen.

Het is onjuist om het complexe proces van maatschappelijke meningsvorming eenvoudigweg te digitaliseren in een 'voortraject', waarin de burgers en hun organisaties met goedvinden van de heren Groenveld en Klop op hun 'enkelvoudige belangen' mogen tamboureren, èn de fase van de politieke besluitvorming, waarin het woord voorbehouden is aan de politieke partijen die zo goed het algemeen belang kunnen afwegen. Met name ingewikkelde en veelzijdige kwesties als de groei van het privé-autoverkeer, de toekomst van Schiphol, de pretenties van Nederland-transportland, en de ruimteclaims van woningzoekenden, recreanten en ondernemers, vereisen een subtieler samenspel tussen overheden en burgers.

In het gebied van de destijds beoogde stadsprovincie Amsterdam worden momenteel de eerste stappen gezet naar nieuwe vormen van publiek-private samenwerking, met name voor ingewikkelde bovenlokale vraagstukken op het vlak van wonen, werken en transporteren. Het idee is, dat maatschappelijke organisaties en het openbaar bestuur een interactief proces met elkaar aangaan waarin gezamenlijk gewerkt wordt aan de probleemformulering en het ontwerpen van oplossingen. Dit proces wordt geacht alle fasen te doorlopen, van globale naar gedetailleerde beleidsvorming. Niemand in de regio Amsterdam die gelooft dat dit het einde betekent van de representatieve democratie. De verantwoordelijkheden van het openbaar bestuur en van het particulier initiatief blijven zoals zij zijn. Maatschappelijke organisaties leveren hun creativiteit, deskundigheid en kritische geest. De politiek hakt uiteindelijk knopen door en is verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte uitvoering.

Hoe moet in dit licht de bezorgdheid van Groenveld en Klop gezien worden om de aftakelende aanhang van politieke partijen? Wij menen dat het ledenverlies van de partijen een uiting is van emancipatie. Tot nog niet zo heel lang geleden waren de politieke partijen, net als de kerken, dominante organisaties voor het kanaliseren van sociale participatie. Intussen hebben de burgers andere wegen ontdekt om vorm en uiting te geven aan hun maatschappeljke betrokkenheid. Zij sluiten zich aan bij Natuurmonumenten, bij het sociaal of cultureel vrijwilligerswerk of bij milieugroeperingen. De ondernemers doen dit door zich aan te sluiten bij ondernemersorganisaties en verwachten meer dan vroeger van Kamers van Koophandel. Deze en vele andere organisaties bieden een veel gedifferentieerder en 'voor elk wat wils' kader waarbinnen men zinvol actief kan zijn. Dientengevolge treedt bij de kerken en de politieke partijen ledenverlies op. Dit verloop zal ongetwijfeld stabiliseren: er zullen altijd mensen blijven met uitgesproken religieuze behoeften of met politieke aspiraties. Hen bieden politieke partijen en kerken een adequaat onderdak.

Politieke partijen (en hun wetenschappelijke bureaus) vormen als het ware de sluitsteen in het gewelf dat samenleving heet. De grote maatschappelijke organisaties zijn de kapitelen die de overgang vormen tussen de dragende pilasters en het gedragen gewelf. De roep van Groenveld en Klop om “een grotere afstand tussen burger en politicus” is geen bijdrage aan een hechter bouwwerk.