Gezinsvoogden komen nauwelijks aan hun beschermelingen toe; Verwaarloosd en verlaten

Steeds meer kinderen worden met 'lichamelijke of zedelijke ondergang' bedreigd, en steeds vaker worden ze door de rechter onder toezicht van een gezinsvoogd gesteld. Maar de gezinsvoogdij functioneert uiterst moeizaam. Gezinsvoogden hebben het te druk, worden slecht gecontroleerd en moeten zelf maar uitzoeken hoe ze te werk gaan. Daardoor wordt aan de meest verdrukte kinderen nog maar minimale hulp geboden.

Tim komt de huiskamer binnen, aait de kat en gaat naast zijn pleegmoeder Magda op de bank zitten. Een verlegen jongetje, maar zeker niet bang. Toen hij drie jaar geleden plotseling in het pleeggezin belandde - zijn moeder werd opgenomen in een psychiatrische inrichting en haar ex-man wilde alleen Tims oudere broer en zus in huis nemen - durfde hij nog niet eens om een boterham te vragen als hij honger had. Of hij propte zich zo vol met eten dat hij later alles weer overgaf.

Over een week wordt Tim zeven. “Vertel eens wat je voor je verjaardag hebt gevraagd”, zegt Magda. “Een fiets”, zegt Tim.

“En van je moeder, wat wil je van haar hebben?” Tim twijfelt, zakt in de kussens van de bank en zwijgt. “Een tractor of een rugzak-beer, toch?”, zegt Magda.

“Ja, een tractor”, zegt Tim en schiet weer rechtop. Geen echte, maar een kleintje. Niet dat hij nog nooit op een echte tractor heeft gereden! Zo vaak, op de boerderij van zijn oma.

Tims verjaardag wordt twee keer gevierd. Een keer in het pleeggezin met vriendjes van school, en een keer met zijn moeder Olga en haar familie. Olga, die is weggelopen uit de psychiatrische inrichting en nu tegen het advies van de psychiater in alweer enige tijd op zichzelf woont, is in hoger beroep gegaan om de voogdij over Tim terug te krijgen. Rob van Asperen (46), Tims gezinsvoogd, heeft na lang wikken en wegen geoordeeld dat Tim het beste af is als hij in het pleeggezin blijft. Nadat twee onafhankelijke onderzoeksbureaus tot dezelfde conclusie waren gekomen heeft de kinderrechter dit advies gevolgd.

Klachten

De ontzetting van ouders uit de ouderlijke macht is altijd het einde van een lang verhaal. Het begint met een melding van iemand die zich zorgen maakt over een kind. Als de Raad voor de Kinderbescherming na onderzoek heeft vastgesteld dat het kind 'met lichamelijke of zedelijke ondergang' wordt bedreigd, wordt het een jaar lang 'onder toezicht gesteld', wat wil zeggen dat een deel van de ouderlijke macht overgaat op een gezinsvoogd. In 1988 gebeurde dit voor 10.949 kinderen, in 1994 voor ruim 16.000. Naast het stijgende aantal kinderen in nood is de problematiek van de gezinnen waarin zij opgroeien de laatste tien jaar veel zwaarder geworden, blijkt uit onderzoek van het ministerie van Justitie. Ouders hebben niet alleen moeite met de opvoeding, maar kampen ook met psychische problemen, relatieproblemen, problemen met geld, huisvesting, echtscheiding en kunnen niet goed opschieten met de de familie of de buurt.

Een gezinsvoogd heeft tot taak het kind te begeleiden en de ouders te helpen met de opvoeding, zodat ze uiteindelijk weer zelf voor het kind kunnen zorgen.

Vaak lukt dat niet binnen een jaar: ondertoezichtstellingen duren gemiddeld drie jaar. Als de situatie drastisch verslechtert kan de gezinsvoogd adviseren het kind uit huis te plaatsen en de ouders geheel uit de ouderlijke macht te ontzetten. 'Moeite met de gezagsoefening' is het opvoedkundig probleem dat gezinsvoogden het vaakst signaleren bij de ouders van hun pupillen, op de voet gevolgd door affectieve en lichamelijke verwaarlozing, mishandeling, problemen met cultuurverschillen en incest.

De gezinsvoogdij krijgt zware kritiek. Bijna de helft van de 1.313 klachten die in 1994 binnenkwamen bij het Advies- en Klachtenburo Jeugdhulpverlening betrof voogdij-instellingen, een stijging van ruim tien procent ten opzichte van het voorgaande jaar. Het onlangs verschenen rapport 'Gezinsvoogden aan het werk' van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie laat weinig heel van de gezinsvoogdij. In het onderzoeksjaar 1993 slaagde slechts één op de vijf voogden erin binnen de wettelijke termijn van zes weken een hulpverleningsplan op te stellen. Verplichte halfjaarlijkse rapportages aan de kinderrechter hadden lang niet altijd plaats, en ook eindverslagen bleven vaak achterwege. De gezinsvoogd zag zijn cliënten te weinig en er was geen eenheid in de werkwijzen van de verschillende voogden.

Ook over het resultaat van het voogdijwerk is het rapport somber. Bij het begin van hun bemoeienis telden de geïnterviewde voogden gemiddeld zestien problemen bij hun pupil, variërend van probleemgedrag op school en thuis tot verslaving, spijbelen en zwerven. Aan het eind van de ondertoezichtstelling waren er volgens de voogden gemiddeld nog twaalf problemen over. De gedwongen hulpverlening van de voogd eindigde in 46 procent van de gevallen omdat het kind meerderjarig werd, niet omdat de problemen waren opgelost. Vaak achtte de gezinsvoogd voortzetting van hulp noodzakelijk, maar dat gebeurde lang niet altijd.

De landelijke stichting Vedivo, waarbij de voogdij-instellingen zijn aangesloten, vindt het WODC-rapport achterhaald omdat het de situatie in 1993 beschrijft.

Meer dan de helft van de aanbevelingen zou inmiddels zijn gerealiseerd. Niettemin vormen te hoge werkdruk en tijdige rapportage nog altijd een probleem, erkent de Vedivo. Inmiddels heeft de hoofdinspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming van het ministerie van VWS op verzoek van de Vedivo een onderzoek ingesteld naar de gezinsvoogdij.

Over de bevindingen wil plaatsvervangend hoofdinspecteur R.P. Bruijn nog niets zeggen. Overigens zal alleen worden getoetst of de voogdij-instellingen voldoen aan de normen die zij zichzelf hebben gesteld.

Los-zand-gezin

Gezinsvoogd Van Asperen erkent dat hij te weinig tijd heeft om zijn pupil Tim te leren kennen. In dit geval vond hij dat ook niet noodzakelijk: het jongetje heeft al zoveel mensen om zich heen dat een band met Van Asperen niet zinvol was. Met oudere kinderen heeft Van Asperen vaak meer contact.

De gezinsvoogd parkeert zijn auto voor het behandelingshuis Nieuw Veldzicht aan de rand van Apeldoorn. Sinds ruim een half jaar woont hier René (16), een gabber uit “zo'n los-zand-gezin waar iedereen zijn eigen gang gaat”. René heeft vier broers, van wie er drie ook uit huis geplaatst zijn. Zijn moeder en zijn stiefvader zijn aan de drank. Voor hij naar Veldzicht kwam woonde René in een internaat in de Utrechtse bossen. Toen hij daar steeds meer hasj ging roken en er zelfs in ging handelen vond Van Asperen het tijd voor meer orde en tucht. René dacht daar anders over en nam zijn gezinsvoogd de overplaatsing naar Veldzicht zeer kwalijk. De eerste tijd had hij het er zwaar, nu lijkt hij wat meer zijn draai te hebben gevonden.

“Kunt u mijn scoringslijst meenemen, meneer?”, zegt René tegen een van de groepsleiders nadat hij Van Asperen heeft begroet. Trots toont hij de lijst even later aan de gezinsvoogd. Op de lijst staan de punten die hij elke dag krijgt voor zijn gedrag. Sommige dingen moet hij dagelijks ten minste een keer doen (zelfstandig opstaan met de wekker, iets vragen wat hij niet kan of niet weet, een positieve invloed hebben op de sfeer - “kopje koffie voor de leiding halen ofzo”, licht René toe). Andere zaken (drugsgebruik) dient hij juist te laten. Als hij zich goed gedraagt gaat hij na verloop van tijd over naar een volgende 'fase' met meer verlofweekenden en uitgaansmogelijkheden.

“En hoe gaat het met het jatten”, informeert Van Asperen.

“Ik ben negen dagen thuis geweest en mijn moeder heeft niets gemist. U kunt het navragen”, zegt René. “Is dat zo?”, vraagt Van Asperen aan de groepsleider die het gesprek bijwoont. Deze knikt. “Dan is dat een grote vooruitgang”, zegt Van Asperen.

“Probeer dat vast te houden, ook als het weer wat moeilijker gaat.”

René meldt uit zichzelf dat hij zijn vader heeft gebeld, die hij al een paar maanden niet had gezien. Hij maakt zich zorgen over zijn broertje van dertien, dat nog bij zijn moeder woont, en wil zijn vader hierbij betrekken. Van Asperen vraagt of hij dit doet omdat hij tijdens de negen dagen thuis weer teleurgesteld geraakt is in zijn moeder. “Ja, wat heb ik aan mijn moeder, niks toch?”, zegt René. “Voor het eten reken ik ook niet op haar, ik zorg altijd dat ik ergens anders iets kan eten, bij vrienden ofzo.” Van zijn vader verwacht hij trouwens niet veel meer. “Laten we eerlijk zijn, het is gewoon een dooie. Maar het is toch mijn vader.”

Legertje hulpverleners

Gezinsvoogden hebben gemiddeld zo'n dertig kinderen tegelijk onder hun hoede, en daarbij hebben ze zeker niet alleen te maken met het kind. Om te beginnen zijn er de ouders en verzorgers, maar ook is er het legertje hulpverleners dat het probleemgezin meestal al omringt. De gezinsvoogd, de verpersoonlijking van het belang van het kind, is daarin de spil. Van Asperen schat dat hij ongeveer tweeeneenhalf uur per maand heeft voor elk 'cliënt-systeem'. “Daar zit alles in. Telefoontjes, huisbezoeken, rapportage aan de kinderrechter, contact met de school, met het kind zelf, de vader, de moeder, soms met een Riagg, een tehuis, een crisiscentrum, een pleeggezin, gespecialiseerde gezinszorg, de kinderrechter, de advocaat.”

Volgens N.M. Mertens, auteur van het WODC-rapport, zijn gezinsvoogden in het algemeen overbelast. Ze denkt dat de zogeheten caseload, die vorig jaar werd verlaagd, nog steeds te hoog is.

“Dat vind ik ernstig, want de problemen van die gezinnen zijn heel groot en hulp is hard nodig.”

Mertens' kritiek richt zich niet zozeer op de voogden zelf, als wel op de instellingen waar zij werken.

“Er is onvoldoende toezicht en begeleiding. Gezinsvoogden moeten alles zelf maar uitzoeken.”

Dat is inderdaad niet eenvoudig, zegt Van Asperen. “De druk is heel groot en de kritiek niet mals. Je hebt te maken met verschillende partijen met strijdige belangen. Iedereen probeert jou voor zich te winnen. Je moet vrij blijven, maar ook voor alle partijen respect opbrengen.”

Volgens de Utrechtse kinderrechter A.C. Quik-Schuijt zijn gezinsvoogden niet toegerust op hun taak. “Als een gezinsvoogd een warme, krachtige persoonlijkheid heeft redt hij het, maar anders heeft hij een probleem.

Dan zie je bijvoorbeeld de neiging om mee te gaan met degene die het hardst roept.” Quik vindt dat gezinsvoogden zich meer zouden moeten specialiseren, want “het begeleiden van pleegouders is iets heel anders dan het begeleiden van ouders”. Ook zouden ze kennis moeten nemen van de uitgebreide literatuur over opvoeding, loyaliteit en hechting. “Er is onderzoek genoeg, maar dat sijpelt niet door naar de werkvloer. Dan is het toch eigenlijk weggegooid geld.”

Mertens vindt dat de gezinsvoogden ook slachtoffer zijn van de slechte werkverdeling in de jeugdzorg. “De zwaarste groep zit bij de gezinsvoogdij, terwijl die eigenlijk wat opleiding betreft het minste in huis hebben. Bij de RIAGGs zie je kinderen met specifieke problemen die heel goed te behandelen zijn. En daar zitten dan juist weer de hoger opgeleide psychologen, pedagogen en psychiaters.” Verder wordt het werk van de voogden bemoeilijkt door de wachtlijsten voor de tehuizen.

Van de 16.000 kinderen die in 1994 onder toezicht werden gesteld gingen er 3.192 naar een tehuis. Vaak moesten ze maanden wachten op een plaats en zwierven ze in die tijd van het ene opvangcentrum naar het andere.

Eind vorig jaar lieten de 1.200 Nederlandse gezinsvoogden voor het eerst een geluid van protest horen. Ze togen naar Den Haag en voerden actie voor een beter salaris. Gezinsvoogden verdienen aanzienlijk minder dan maatschappelijk werkers bij de Raad voor de Kinderbescherming en reclasseringsambtenaren, die vergelijkbaar werk doen maar onder een andere cao vallen. Het ministerie zegde een salarisverhoging toe van zevenhonderd gulden in de hoogste schaal. Voor gezinsvoogden die die schaal nog niet hebben bereikt verandert er op korte termijn niets. Wel bestaat er nu iets meer aandacht voor de specifieke moeilijkheden van hun werk. De voogdij-instellingen beschikken sinds vorig jaar over een functieprofiel voor de gezinsvoogd en protocollenboeken voor allerlei situaties. Ook wordt nagedacht over een speciale opleiding voor gezinsvoogden, want die ontbreekt.

Geen eten

De verjaardag van Tim houdt ook de gemoederen bezig van zijn broer Joep en zus Ragna. Van Asperen belt onverwacht aan bij hun rijtjeshuis in de Bloemenbuurt van Barneveld om te vragen hoe het met zijn pupil Ragna (13) is.

Hij kan zijn komst niet telefonisch aankondigen, want haar vader heeft als gevolg van zijn 'budgetteringsprobleem' geen telefoon.

“Ragna zat gisteren erg met de verjaardag van Tim in haar maag”, zegt vader Thomassen in zijn huiskamer. Hij excuseert zich voor de rommel - drie theedoeken over de verwarming en wat boeken op de grond. Ragna, die niet thuis is, heeft besloten alleen naar het kinderfeest bij het pleeggezin te gaan en niet naar het familiefeest van haar moeder. Een briefje met die mededeling heeft ze bij haar moeder in de bus gedaan. Thomassen zelf heeft geen boodschap aan Tims verjaardag.

Hij heeft Tim nooit gekend en weet niet eens zeker of het zijn zoon wel is. Olga zegt soms van niet, soms van wel.

“En jij”, vraagt Van Asperen aan Joep (14), die wel thuis is.

“Wil jij nog wat doen aan Tims verjaardag?” Terwijl Ragna haar broertje nog weleens tegenkomt bij haar moeder, heeft Joep hem al jaren niet gezien. Hij heeft geen contact met zijn moeder, hij kan haar niet vergeven wat in het verleden is gebeurd: hoe hij voor haar moest zorgen, hoe hij soms drie dagen geen eten kreeg, hoe de hond waar hij van hield van de ene op de andere dag verdween.

Doordat Joep zijn moeder niet ziet, ziet hij Tim ook niet. “Ik kan je zijn adres geven”, zegt Van Asperen. “Zijn pleeggezin is heel soepel, je kunt daar best eens naar toe als je zin hebt.”

Joep aarzelt zichtbaar. Zijn vader kijkt naar beneden en zwijgt.

“Ik wil daar van de zomer best een keertje heen fietsen”, zegt Joep ten slotte. Van Asperen opent zijn koffer en Thomassen noteert Tims adres, zodat Joep in elk geval een kaart kan sturen.

Juridische onwetendheid

De eerste gezinsvoogd werd in 1922 door de rechter benoemd.

Hij werkte vrijwillig en ontleende zijn gezag aan de autoriteit van de rechter. Deze situatie bleef heel lang in stand. Het voogdijwerk werd pas in de jaren zestig geprofessionaliseerd en pas vorig jaar werd de gezinsvoogd zelf 'bekleed met gezag'. Door een wetswijziging die intrad op 1 november 1995 is de kinderrechter nu alleen nog maar juridisch verantwoordelijk: hij controleert of er voldoende redenen zijn voor verlenging van een ondertoezichtstelling of voor een uithuisplaatsing, maar bemoeit zich niet meer met de inhoud van de hulpverlening.

Als ouders nu tegenstribbelen kan de jeugdzorginstelling hen een schriftelijke 'aanwijzing' geven, waartegen de ouders bij de kinderrechter in beroep kunnen gaan.

Rechter Quik vindt dat de kwaliteit van de voogdij door de wetswijziging verder achteruitgegaan is. De gezinsvoogden hebben al te weinig tijd voor hun pupil en nu moeten ze ook nog eens veel meer tijd besteden aan administratieve handelingen. Bovendien is er volgens Quik te weinig juridische kennis aanwezig bij de voogdij-instellingen, iets wat het ministerie van Justitie zich volgens haar veel eerder had moeten realiseren. De juridische onwetendheid leidt nu tot vertragingen. “Laatst had ik hier een moeder die een aanwijzing voor een intensievere omgangsregeling met de vader vervallen verklaard wilde hebben.

Maar ik beschikte niet over een schriftelijke reactie van de voogdij-instelling op die regeling. Die moet ik echt hebben om de zaak goed te kunnen beoordelen. Ik heb daarom bepaald dat ik er over twee maanden opnieuw naar kijk.''

Een andere verandering is dat de gezinsvoogd met meer gezag moet optreden. Het WODC-rapport constateert dat voogden eerder geneigd zijn zich op te stellen als gedienstig hulpverlener. Volgens Quik gingen de voogden tot de wetswijziging zelf achter hun cliënt staan en hielden ze de kinderrechter als 'boeman' achter de hand. Dat vond ze geen slechte zaak. “Het is niet makkelijk om impopulaire maatregelen te nemen en tegelijk een goede relatie met je cliënten te houden.” Sinds 1 november kan de kinderrechter deze rol niet meer vervullen. Quik had het beter gevonden als 'gezag' en 'hulp' binnen de instelling gescheiden waren gehouden en niet, zoals nu, beide neerkomen op de schouders van de voogd. “Als een ouder hoort dat haar kind weg moet, dan móet ze kwaad kunnen worden op iemand.” Quik vreest dat sommige gezinsvoogden de moeilijke beslissingen nu zullen gaan vermijden.

De Rotterdamse advocaat B.A. Boer meent dat ook sommige kinderrechters nog niet aan de wetswijziging gewend zijn. Voor het gerechtshof in Den Haag dient een slepende zaak waarin een vader probeert in hoger beroep de voogdij terug te krijgen over zijn driejarig dochtertje. Volgens Boer, die optreedt als advocaat van de vader, stond de voogdij-instelling achter zijn cliënt, maar was de Raad voor de Kinderbescherming tegen. De Raad adviseerde de kinderrechter het kind nog wat langer in het pleeggezin te laten en de kinderrechter volgde dit mondeling advies.

Sinds de wetswijziging van 1 november kunnen echter alleen schriftelijke verzoeken van de Raad door de kinderrechter kunnen worden gehonoreerd. Boer: “De kinderrechter is buiten zijn boekje gegaan. Het Hof heeft dit ter zitting bevestigd.” Bovendien had de voogdij-instelling volgens Boer de beslissing van de kinderrechter naast zich kunnen leggen.

Het verbaast hem dat dit niet gebeurd is. “Ze zijn er kennelijk nog niet aan gewend dat zij nu de muziek bepalen.”

Levensbelang

Van Asperen staat weer voor een dilemma. Een jong Antilliaans stel uit Baarn heeft een baby die al twee keer in het ziekenhuis is beland. Het meisje had brandwonden, een blauwe plek in de vorm van een hand, een schedelfractuur. Het Bureau Vertrouwensartsen koesterde zeer sterke vermoedens van mishandeling en de Raad voor de Kinderbescherming plaatste de baby in een opvanggezin. Daar verblijft het nu vier maanden. Omdat het kind zich begint te hechten, moet snel een beslissing worden genomen.

De ouders hebben een advocaat ingeschakeld om hun baby terug te krijgen. Van Asperen laat een onderzoek naar hen uitvoeren door een onderzoeksbureau.

Na een gesprek met de moeder zit Van Asperen peinzend achter het stuur. Hij verbaast zich altijd weer over het grote verschil tussen wat hij over mensen leest in rapportages en hoe ze overkomen als hij hen ontmoet. “Deze mensen zijn heel zacht, begaan, heel religieus ook.” Anderzijds kwamen ze met vreemde verhalen ter verklaring van de wonden van hun kind. De vader zou het kind een keer per ongeluk hebben laten vallen. Een andere keer was de wieg gevallen toen hij zich eroverheen boog, waarop de vader op het kind gevallen zou zijn. Dat die verhalen vreemd zijn beseffen de ouders ook, wat het voor Van Asperen niet eenvoudiger maakt.

“Ze geven aan dat ze begrip hebben voor het feit dat mensen hen niet geloven.”

“Nu moet je een beslissing nemen die van levensbelang is voor het kind”, zegt Van Asperen.

“Dan kun je nog zoveel gelezen hebben over kindermishandeling en protocollen hebben voor hoe je dient te handelen - in feite heb je daar weinig aan. Bij zo'n beslissing gaat het om invoelingsvermogen, om levenservaring, normen en waarden, een soort wijsheid. En of je uiteindelijk het goede besluit neemt, weet je nooit helemaal zeker.”

Om redenen van privacy zijn de namen van de (pleeg)ouders en kinderen gefingeerd.