Europees gevecht over cacao-boter

ROTTERDAM, 23 MAART. Industrie-commissaris Bangemann van de Europese Commissie zal woensdag na jarenlang overleg voorstellen om akkoord te gaan met het gebruik van vervangende vetten voor cacao-boter (zogenoemde cacaobutter equivalents, ofwel cbe's) in de hele Unie. Binnen de Commissie woedt intussen een felle strijd over die gedeeltelijke vervanging van chocolade door plantaardige vetten. De Duitse commissaris Martin Bangemann is daar onder Britse druk een sterk voorstander van. Zijn Portugese collega De Deus Pinheiro, verantwoordelijk voor de cacao-producerende ontwikkelingslanden, is fel tegen.

Bij hun toetreding tot een Verenigd Europa werd het de Britten in 1973 toegestaan om 5 procent van de cacaoboter in een chocoladereep te vervangen door plantaardige vetten. Deze vetten zijn goedkoper. De Britse consumenten zijn vanaf de Eerste Wereldoorlog, toen door blokkade van de havens geen cacao aangevoerd kon worden, al gewend aan het gebruik van andere vetten.

Naast Groot-Brittannië mag ook de chocolade-industrie in Ierland, Portugal, Denemarken, Finland en Zweden voor 5 procent vervangende vetten gebruiken. Dit is toegestaan sinds die landen toetraden tot de Unie. De chocoladeproducenten in de andere lidstaten dringen nu aan op een algemene maatregel, om kostenvoordelen voor hun vooral Britse concurrenten tegen te gaan.

De Portugees De Deus Pinheiro vreest nadelige gevolgen voor de cacao producerende ontwikkelingslanden. Gebruik van vervangende vetten in de hele Unie zou leiden tot een afzetdaling van cacao met 200.000 ton per jaar.

De Franse commissarissen De Silguy en Cresson en de Belgische vertegenwoordiger Van Miert steunen De Deus Pinheiro. Commissievoorzitter Jacques Santer heeft nog niet gekozen, maar pleit vooral voor gelijkheid in de hele Unie. De Nederlandse regering is ook voor de 'nuloptie' maar wil hooguit akkoord met een marge van vijf procent. Het kabinet besloot een jaar geleden er in Brussel op aan te dringen toevoeging van cbe's bij de produktie van chocolade in alle EU-lidstaten te verbieden.

Met name minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) heeft ervoor gepleit een totaal verbod op toevoeging van cbe's te handhaven. Pronk vreest dat een versoepeling van de regeling - het verbod geldt al sinds 1973 in Nederland - ertoe zal leiden dat in de toekomst aanzienlijke hoeveelheden cacaoboter zullen worden vervangen door cbe's, met als gevolg het faillissement van tienduizend cacaoboeren in ontwikkelingslanden. De Stichting Max Havelaar steunt het standpunt van de 'nuloptie' met kracht.

Als de EU over gaat tot een maximum van vijf procent, zullen de VS naar verwachting de markt helemaal vrijlaten, terwijl in de VS nu ook een geheel verbod geldt. Dat betekent een vermindering van de vraag naar cacao van vijf tot tien procent en dus een vrije val van de prijzen. Dat zou desastreus zijn voor de cacaoboeren, meent de stichting. Het Produktschap Margarine, Vetten en Oliën maakte '94 al ernstig bezwaar tegen het voorstel van Pronk en is voor een marge van vijf procent.

In alle Europese lidstaten worden andere standaarden gehanteerd. Vandaar dat de Commissie ter harmonisatie van al die verschillende regelingen heeft voorgesteld de toevoeging van deze cbe's in alle EU-lidstaten te beperken tot maximaal vijf procent. Cbe's stellen de chocolade-fabrikant in staat produkten te maken van een vrijwel constante kwaliteit. Doordat de kwaliteit van cacao per oogst wisselt kunnen al te grote schommelingen worden vereffend met vervangende stoffen, zo stelt het produktschap. Zo kan het wit uitslaan van chocolade worden voorkomen.

Zowel de Nederlandse producent als de consument worden door een verbod op cbe's ernstig benadeeld, meent het produktschap. Voor de Nederlandse chocolade-fabrikanten leidt een geheel verbod tot een technologische achterstand ten opzichte van de Europese concurrenten, terwijl de consumenten worden beperkt in hun keus, zegt het schap. Toevoeging van cbe's heeft in andere landen al geleid tot de ontwikkeling van nieuwe chocolade-produkten en kwaliteitsverbetering van de traditionele chocolade.

Zeer te betwijfelen valt of het toestaan van een beperkt percentage cbe's desastreuze gevolgen heeft, zegt het schap. Op korte termijn is wellicht een zwakke daling van de cacao-afzet waarschijnlijk, maar op lange termijn zal het effect merkbaar zijn van een hogere chocolade-afzet.

De cbe's mogen slechts worden toegevoegd aan dat deel van de chocola, dat wordt vrijgelaten voor de 'vrije receptuur' van de maker. Daar mag van alles in zitten, zoals notenpasta, sojameel, welpoeder of pindameel. Door handhaving van een verbod op het gebruik van cbe's in chocolade blijft de volgens het schap ridicule situatie bestaan, dat produkten - met cbe's - uit andere lidstaten vrijelijk mogen worden geïmporteerd, terwijl die produkten in Nederland niet mogen worden gemaakt voor de binnenlandse markt. Daarbij wordt met name gedoeld op het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken en Portugal.

Het schap wees er indertijd op dat er een afzetvergroting van chocolade zal ontstaan als het absolute verbod wordt verlaten, zoals is gebleken in Engeland, Ierland en Denemarken. In die landen is de invoer van cacaobonen in de periode tussen '86 en '92 percentueel sterker toegenomen dan de gemiddelde import in de gehele Europese Unie, blijkt uit cijfers van het produktschap. In deze landen valt bovendien op dat de consumptie van chocolade per hoofd van de bevolking aanzienlijk hoger is dan in de rest van Europa.

Ook ontwikkelingslanden kunnen profiteren van het gebruik van cbe's. De belangrijkste grondstof van deze vervangers is de sheanoot, die vooral wordt betrokken uit Westafrikaanse landen als Mali en Burkina Faso. Mocht een algeheel verbod van gebruik van cbe's binnen de gehele EU niet haalbaar blijken, dan dienen er volgens de Nederlandse regering in elk geval strenge eisen te worden gesteld aan de etikettering en moet het 'detecteren' van de cbe's goed mogelijk zijn.