Een te kritische kwelgeest

KEN SARO-WIWA: Een maand en een dag. Notities uit de gevangenis

269 blz., Jan Mets/NOVIB/NCOS 1996, ƒ29,90

Een maand en een dag is het laatste boek van Ken Saro-Wiwa, de voortrekker van het kleine Zuid-Nigeriaanse Ogoni-volk die afgelopen november na een showproces door het militaire regime van Nigeria werd geexecuteerd. Wat wereldwijd leidde tot furieuze reacties en tot de roep om een olieboycot van dat land. Het boek dat Saro-Wiwa in 1994 in gevangenschap afmaakte en dat pas na zijn liquidatie in het Engels verscheen, is vooral een collage: van Saro-Wiwa's persoonlijke aanvaringen met de militairen en met Shell, humoristisch en verrassend lichtvoetig opgeschreven; van historische 'flash backs' waaruit onder meer blijkt dat Saro-Wiwa tijdens de Biafriaanse afscheidingsoorlog (1967-70) de zijde koos van de later zo vermaledijde centrale regering; en van veel minder leesbare, activistische geschriften van de door hem opgerichte en geleide Mosop (Beweging voor de overleving van het Ogoni-volk).

Minister

Ken Saro-Wiwa komt uit zijn boek naar voren als een begaafd brok energie die in zijn 54 jaren vele levens leidde. Na de mislukte poging van Biafra om zich onder hoede van generaal Ojukwu af te scheiden van het moederland, werd hij in 1970 op 28-jarige leeftijd minister in de nieuwe deelstaat-regering van Rivers Plate. Door zijn impulsieve stijl en door tegenwerking van de Ogoni-leiders die tijdens de burgeroorlog aan de Biafraanse kant hadden gestaan, moest hij al weer na anderhalf jaar het veld ruimen.

Hij werd vervolgens zakenman, ging in levensmiddelen en onroerend goed, en maakte fortuin. Bovendien ontpopte hij zich in zijn vrije tijd als dichter, romanschrijver, columnist in de landelijke pers en auteur van de populaire tv-soap-opera Basi & Co.

Deze klucht, waarin enkele lamlendige nietsnutten uit de hoofdstad Lagos de nationale ondeugden vertolkten - veel schreeuwen, weinig werken - werd vijf jaar lang door tientallen miljoenen kijkers gevolgd en gaf hem nationale bekendheid. Geïrriteerd door de lauwe wijze waarop het Nigeriaanse uitgeversgilde zijn literaire produkten ontving, werd hij in de jaren tachtig zelf uitgever, meest van eigen werk, en met succes.

In 1990 richtte hij met enkele andere Ogoni-leiders de Mosop op. Wat het begin markeerde van zijn activistische periode. Daarin schudde hij de zakelijke beslommeringen van zich af en bond hij met tomeloze energie de strijd aan tegen de 'genocide' op zijn Ogoni-volk door de centrale machthebbers en tegen de Shell die van zijn olierijke land een 'ecologische hel' had gemaakt.

Dat de centrale machthebbers van het 90 miljoen inwoners tellende Nigeria met zijn 300 grote en kleine volken de belangen van de half miljoen Ogoni's verwaarloosde, lijdt geen twijfel. En dat Shell zich in de loop der tijd als exploiteur van de rijke oliebronnen van Ogoni-land schuldig had gemaakt aan milieuvervuiling valt evenmin te betwisten. Saro-Wiwa's activisme was daarmee begrijpelijk en gerechtvaardigd, zelfs al had de centrale regering de laatste jaren als reactie op de Ogoni-troebelen wat meer geld in hun land gestoken. Jarenlang ging dat om slechts 1,5 procent van de olie-opbrengsten uit het gebied, een paar jaar geleden was dat 3 procent en vorig jaar beloofde het militaire regime zowaar 13 procent.

Ook het feit dat Shell Ogoni-land de laatste jaren milieu-technisch net zo correct ging behandelen als zijn Amerikaanse en Europese wingebieden, kon Saro-Wiwa's woede niet meer koelen. Met zijn grote retorische vermogens vervolgde hij zijn campagne tegen het bewind en de Shell. En daarover doet hij in zijn boek hartstochtelijk verslag.

Advertentie

In augustus 1990 eist Ken Saro-Wiwa tijdens de oprichting van de Mosop in een handvest meer 'politieke autonomie', een 'billijk deel' van de olie-inkomsten ten behoeve van de eigen ontwikkeling, alsmede het recht om het Ogoni-milieu tegen verdere aanslagen te behoeden. Wat zeker niet onredelijk klinkt. Daarna radicaliseert Ken Saro-Wiwa in snel tempo.

In 1991 plaatst de Ogoni-leider op eigen kosten een advertentie in de landelijke Nigeriaanse pers waarin het Mosop-handvest verder wordt aangescherpt.

De Mosop eist daarin het 'volledig recht op politieke zeggenschap' - wat sinds 'Biafra' in Nigeria een explosieve eis mag heten - en de toewijzing van 'minstens 50 procent' van de olierevenuen voor exclusief Ogoni-gebruik.

Tegelijk wordt de door Shell in de loop van 35 jaar in Ogoni-land behaalde winst opgeschroefd van 30 naar 100 miljard dollar. Daaraan koppelt Mosop een eis tot schadevergoeding van 4 miljard dollar wegens milieuschade en 6 miljard aan niet-betaalde royalties, 'te voldoen binnen dertig dagen'.

De retoriek wordt niet alleen vlammender maar soms ook ongerijmd.

Na vele furieuze verwijten aan Shells adres over de schandalige verwaarlozing van Ogoni-land, schrijft Saro-Wiwa (op pagina 190): “Per saldo beroven ze (de door Shell aangelegde wegen f.v.) de Ogoni van broodnodig land en dwingen ze arme boeren schoenen te dragen, die ze zich nauwelijks kunnen veroorloven.”

De radicalisering leidt tot soms bloedige reacties van het regime en in de loop van 1993 ook tot een splitsing in de Ogoni-leiding tussen Saro-Wiwa die steeds meer op de geradicaliseerde Mosop-jeugd steunt, en meer voorzichtige, traditionele Ogoni-leiders die vrezen dat Saro-Wiwa en zijn jeugd het Ogoni-volk naar een spiraal van geweld leiden. Hoewel de schrijver-activist ook dan blijft hameren op geweldloosheid maakt hij met zijn radicalisme bij zijn jeugdige aanhang krachten los die hij niet meer kan beheersen.

Onvermeld

Dat gematigde Ogoni-leiders door intimidatie Ogoni-land moeten ontvluchten doet Saro-Wiwa laconiek af met: “Verder vernam ik dat bepaalde mensen, die als verraders van de Ogoni-zaak werden beschouwd, tot de ontdekking waren gekomen dat het hun behoorlijk moeilijk viel in Ogoni te blijven.” Dat de Mosop-jeugd niet alleen hardhandig tegen 'verraders' maar ook tegen Shell-installaties ageerde, wat massale olieverspilling en milieuschade veroorzaakte, blijft in het boek onvermeld.

Als in mei 1994 vier behoudende Ogoni-leiders ('verraders') door Ogoni-jongeren worden vermoord, betuigt Ken Saro-Wiwa direct zijn medeleven. Maar de gefrustreerde Nigeriaanse machthebbers zien hun kans schoon. Zij smijten hun welbespraakte kwelgeest weer in het gevang, dat hij anderhalf jaar later na een klassiek showproces in een kist zal verlaten.

Ken Saro-Wiwa had dat blijkbaar voorvoeld in zijn laatste boek. Dat eindigt met: “De volkerenmoord op de Ogoni had een nieuwe gedaante aangenomen. Op welke wijze dit in zijn werk gaat zal ik in mijn volgende boek vertellen, als ik dan tenminste nog in leven ben.”