'Een nationale commotie had ik nooit verwacht'

Volgende week wordt het rapport van de rijksrecherche gepubliceerd over de drugsimporten van de Haarlemse politie. Voormalig IRT-leider Johan van Kastel ontdekte 2,5 jaar geleden deze drugsimporten en eiste stopzetting. Zijn actie mondde uit in onderzoek naar het opereren van politie en justitie. Voor het eerst geeft Van Kastel een interview over de IRT-affaire.

DEN BOSCH, 23 MAART. Op industrieterrein De Vutter in Den Bosch is een Amsterdammertje geparkeerd. Het paaltje staat in de de kamer van politiecommissaris J. van Kastel en is een afscheidscadeau van de hoofdstedelijke jeugd- en zedenpolitie. Het is een van de vele Amsterdamse presentjes die hem herinneren aan de meeslepende laatste jaren die hij in de hoofdstad beleefde.

Van Kastel (38) stapte eind vorig jaar over naar de politieregio Brabant-Noord waar hij de dienst zware criminaliteit leidt. De transfer heeft volgens hem niets te maken met alle commotie die hij eind 1993 onbedoeld veroorzaakte. Enkele maanden nadat hij voor de Amsterdamse politie de leiding had gekregen over het interregionaal rechercheteam IRT Noord-Holland/ Utrecht nam hij kennis van de opsporingsmethode die agenten van de Haarlemse politie voor het IRT hanteerden. Tienduizenden kilo's softdrugs werden op de markt gebracht en criminele informanten mochten hun drugswinsten houden. Het was een gevaarlijke, onstuurbare methode, oordeelde Van Kastel.

In een notitie voor de korpsleiding beschrijft hij in november 1993 hoe hem “regelmatig de kriebels over de rug lopen en mijn haren overeind gaan staan”. Achteraf bleek zijn analyse, die is afgedrukt in het rapport-Van Traa, de vinger op exact die plekken te leggen die ook de enquêtecommissie tot haar uiterst negatieve oordeel bracht.

“Toen ik dat destijds tikte”, vertelt Van Kastel, “had ik geen idee dat het zo explosief zou zijn. Ik wist wel dat mensen erover zouden vallen, maar dat het zo'n enorme nationale commotie teweeg zou brengen dat had ik nooit verwacht. Voor mij was er op dat moment ook geen reden om het IRT te ontbinden. Sterker, ik heb nog overleg gevoerd om te kijken hoe we verder konden met weglating van de besmette delen van het onderzoek. Bovendien liepen er binnen het IRT meer zaken dan het omstreden drugsonderzoek.”

Maar de ontwikkelingen, ervoer Van Kastel, hadden inmiddels hun eigen dynamiek gekregen. “Toen ik het rapport had ingeleverd, lag het nog dezelfde avond bij de minister. Dit staat voorlopig niet stil, dacht ik. Maar op het moment dat ik het zat te tikken, had ik niet het idee dat dit stukkie papier ooit in Den Haag zou worden opengemaakt.”

Het gebeurde veel vaker, zegt Van Kastel, dat hij in zijn leidinggevende functie bij de Amsterdamse recherche methoden van onderzoek ter discussie stelde. “Ik dacht dat mijn rapportage ertoe zou leiden dat mensen bij elkaar zouden komen om nog eens te praten over het onderzoek. In mijn beleving was de notitie niet uniek. Ik werd gewoon betaald voor het nemen van dit soort beslissingen.”

Zijn negatieve oordeel werd echter door collega's buiten de hoofdstad onmiddellijk gezien als een arrogante zet van het Amsterdamse korps om de 'boerenpolitie' een hak te zetten. De in Nijmegen geboren Van Kastel kent de gevoeligheden maar vindt dat dergelijke sentimenten overbelicht zijn.

Van Kastel verzekert dat zijn beoordeling strikt werd ingegeven door zijn ervaringen bij de Amsterdamse politie en de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI), waar hij tussen '87 en '91 leiding gaf aan een internationale werkgroep voor undercover-operaties. “Ik had echt wel kaas gegeten van infiltratiewerk. Ik kende de criteria. De IRT-methode was absoluut onoirbaar, het was buitensporig. Ze waren onder de richtlijnen door gedoken. Er werd naar hartelust geëxperimenteerd, het werd heel onschuldig voorgesteld maar in werkelijkheid was het veel erger, ging het veel verder en was het veel oncontroleerbaarder dan gewone infiltratie. Door het te trekken in de gesloten, geheime en dus ondoorgrondelijke CID-sfeer, is er veel meer gebeurd dan officieel toegestaan was. Dit heeft echt verloederend gewerkt.

“De verantwoordelijke rechercheurs hebben geweldig aangekloot. En dat heeft een tijd kunnen duren omdat niemand heeft gezegd, potverdomme, wat gebeurt er nou eigenlijk allemaal? Hun leidinggevenden bij politie en justitie hebben zich alleen op abstractieniveau in de zaken verdiept. Wat er concreet gebeurde wisten ze niet. Maar bij alle drugstransporten die de CID Haarlem doorliet kwam steeds hetzelfde criminele middenkader in zicht. Nooit zijn ze ook maar enigszins in de buurt gekomen bij de roverhoofdmannen.”

De reacties op Van Kastels beslissing waren niet alleen bij de politie in Haarlem en Utrecht overdonderend negatief. Binnen het openbaar ministerie gingen er zelfs stemmen op hem van zijn functie te ontheffen: Van Kastel had zich immers tegen een onderzoeksmethode gekeerd die was goedgekeurd door officieren van justitie. “Het was not done het bevoegd gezag tegen te spreken. Een officier van politie moest zijn plaats weten. Er waren zelfs hoofdofficieren die mijn hoofd eisten. Ik was eerst wat verbaasd, ik dacht: waar is dat nou voor nodig want het is natuurlijk erg ongezond. Maar het was de reactie van een groep spreeuwen die samentrekt omdat ze zich aangevallen voelt door een sperwer. Men wilde de boodschapper van het slechte nieuws de mond snoeren om niet langer over het probleem te hoeven nadenken. Het was een ambtelijk moordcommando. Gelukkig hebben de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking en de korpsleiding mij zodanig verdedigd dat ik me nooit echt ongerust heb gemaakt”.

Ook binnen het IRT wachtte hem een vijandige behandeling. “Sommigen in het team reageerden alsof ik hun kind had afgepakt. Er waren momenten dat ik dacht: nog één verkeerd woord en er wordt op mij geschoten. De hele geschiedenis heeft een geweldige druk op mijn leven en dat van mijn gezin gelegd.”

Het ernstigste incident deed zich volgens Van Kastel voor toen een “politie-kaderlid” - van wie hij de naam niet wil noemen - hem thuis belde en hem suggereerde dat zijn leven op het spel stond. “Het gebeurde niet lang nadat ik de methode had bekritiseerd. Ik kreeg te horen dat de informant moest kunnen doorgaan met de handel in drugs anders gingen er gekke dingen gebeuren en zou het mis met mij kunnen gaan. De justitiële autoriteiten hebben de man de volgende dag tot de orde geroepen. De collega zei toen dat hij alleen de dreiging uit het criminele milieu heeft willen doorgeven, maar ik heb dat anders - en zeer bedreigend - ervaren. Van dit incident ben ik zeer geschrokken en ik heb me afgevraagd: als een politieman al zover is dat hij je zo bedreigd, waar stopt het dan? Zitten vijanden niet alleen buiten maar ook al binnen de politie? Waar is het einde?”

Nadat de Amsterdamse driehoek met het oog op de verziekte verhoudingen het IRT december 1993 ontbond, formeerde het kabinet de commissie-Wierenga om aan de ontstane commotie een einde te maken. Volgens Wierenga kon de methode wèl en was de ontbinding van het team niet nodig geweest. “Ik kon me best voorstellen dat de vorm en de snelheid waarmee stappen zijn genomen om het team te ontbinden, werd bekritiseerd. Bij mij heeft ook nooit op het programma gestaan het IRT te slopen. Ik kan me voorstellen dat de commissie de wijze van het Amsterdamse handelen niet goed vond. Maar waar het ging om de methode voorzag ik geen kritiek op Amsterdam. Integendeel.”

In zijn verhoor bij Wierenga merkte hij evenwel dat de commissie zelfs geen interesse had voor de methode. “Ik heb moeite moeten doen om het verhaal van de methode te vertellen. Ik dacht dat het daar om ging, maar dat bleek niet zo. Ik moest het zelf aan het einde van het gesprek ter sprake brengen. Dat mocht toen nog even worden aangestipt - maar mijn opmerkingen moesten wel in het geheime verslag. De vragen gingen over de verhoudingen, het overleg met de medezeggenschapscommissie en het maken van notulen, over dat soort details.”

De enquêtecommissie hoorde Van Kastel tot zijn verbazing niet openbaar. “Maar gaandeweg het onderzoek werd het ook minder nodig. Mijn rapportage destijds was helder en zoals een voormalig collega eens zei: Van Kastel jongen, jij krijgt het grootste gelijk van de paardenmarkt. En dat blijkt vandaag de dag.”