Duistere zaken

Het stoffige, betrouwbare imago van de levensverzekeringswereld verandert. De saaie, hoeksteenachtige mannen in driedelig gestreept grijs, uit datzelfde eikenhout gesneden als hun collega's bij de bank, sterven uit. Zij maken plaats voor minder betrouwbare, flamboyante verkopers die zich alleen interesseren voor korte-termijn-successen en die niet verder kijken dan hun volgende provisie-overzicht. Bekendste voorbeeld: Vie d'Or.

De verantwoordelijke politici en toezichthouders doen er, zo lijkt het, weinig aan om het ontij te keren. Voorbeeld: de bedrijfsleiders van Vie d'Or komen er waarschijnlijk met een geringe boete van af en kunnen weer zoiets beginnen.

Levensverzekeringen, vaak aantrekkelijk om hun wettelijke fiscale voordelen en niet om de prestaties van de verzekeraar, verliezen hun imago van zekerheid. Sommige polissen zijn zo duister van opzet dat ze Vie d'Or-trekken tonen. Kan dat zo maar? Ja, want verzekerden zijn willig en goedgelovig en hun tussenpersonen doen er weinig aan om dat te veranderen. Die worden opgeleid om polissen te verkopen en niet om te wijzen op alternatieven als beleggen, extra storting in een pensioenfonds of schulden versneld aflossen.

Kan het anders? Ja, de overheid moet de fiscale voordelen alleen geven aan de verzekeringsprodukten die voorzien zijn van een leesbare folder voor 'gewone' mensen, volgens een standaardformaat, waarin geen relevante informatie over het produkt wordt verzwegen. Waarom wèl een Warenwet en een actieve keuringsdienst en geen Financiële Warenwet met een dito controleur, van buiten de verzekeringswereld? Waarom moeten beleggingsfondsen en uitgevers van effecten een formeel prospectus publiceren waarin ze openheid van zaken geven, waaraan klanten zelfs rechten kunnen ontlenen? En waarom mogen levensverzekeraars volstaan met een vrijblijvende, vrolijke, kleurige brochure of advertenties en onleesbare verzekeringsvoorwaarden?

De bevoordeling van levensverzekeraars is een duistere zaak en verhindert een gezonde concurrentie in de financiële wereld. Meer openheid kan voorkomen dat bijvoorbeeld de volgende koopsompolis/beleggingsfondsconstructie succes heeft.

Een verzekerde sluit als extra voorziening voor zijn oude dag een (eenmalige) koopsompolis en betaalt daarvoor in januari 1994 40.000 gulden, aftrekbaar van zijn belastbaar inkomen. Hij kiest er bewust voor om met die koopsom, na aftrek van 1.400 gulden kosten, deel te nemen in een beleggingsfonds van de verzekeraar, dat belegt in obligaties en aandelen, en zo het beleggingsrisico zelf te dragen. Dat lijkt heel zeker: verzekeraars worden immers gecontroleerd door de Verzekeringskamer en fondsen door De Nederlandsche Bank.

Uit de verzekeringsvoorwaarden blijkt dat het gekozen fonds, zonder beursnotering, niet zelf actief is, maar de ontvangen gelden doorschuift naar een fonds van een ander bedrijf. Dat bedrijf beheert de gelden niet zelf, maar heeft die zorg uitbesteed aan een internationale vermogensbeheerder. Zo betaal je als verzekerde ongemerkt extra kosten: die van het tweede fonds en mogelijk de (geheime) provisie die jouw verzekeraar van dit fonds ontvangt voor de bewezen 'doorschuifdiensten'.

En misschien tweemaal de kosten van een fondsbeheerder? Ja, want het eerste fonds noemt die beheerder ook als adviseur, terwijl dat fonds de koopsommen en premies slechts doorschuift naar het tweede fonds en daar geen beheerder voor nodig heeft. De beheerder krijgt op die manier tweemaal betaald voor dezelfde prestatie, zo valt af te leiden uit de stukken die een verzekerde ontvangt. Een officieel prospectus zou deze onduidelijkheid kunnen verhelderen. Misschien valt het allemaal wel mee? Waarschijnlijk niet.

Er speelt nog iets rond deze polis. Over 1993 zijn de beurskoersen flink gestegen en is het tweede fonds - en het eerste dus ook - navenant meer waard geworden. De internationale beheerder ontvangt een extra beloning voor die prestatie, een performance fee, van 2 miljoen gulden, boven de vaste vergoeding van ruim 1 miljoen per jaar. Dat mag volgens de fondsreglementen, die een verzekerde overigens niet onder ogen krijgt, laat staan dat hij die zou kunnen beoordelen. Die fee drukt natuurlijk op de resultaten van het jaar 1993. De waarde van het fonds en de participaties dalen door die last met circa 2 procent van de totale fondswaarde.

De deelnemers profiteren van de gestegen koersen in 1993 minus de vergoeding voor het beheer. Ultimo 1993 moet de koers dus met 2 procent dalen. Nieuwe deelnemers in 1994, zoals de verzekerde in dit voorbeeld, betalen iets minder. Niet volgens de boekhouder van het fonds: die boekt die 2 miljoen pas aan het eind van het eerste kwartaal 1994 en laat zo nieuwe deelnemers meebetalen aan iets waarvan ze helemaal niet geprofiteerd hebben. “Het spijt ons”, schrijft de fondsdirecteur laconiek aan de woedende verzekerde, “formeel voelen wij ons niet verplicht uw vragen rechtstreeks te beantwoorden. Stel ze aan uw assurantietussenpersoon of verzekeraar.” Zo reageren flamboyante verkopers op een klacht.