Deur in de muur

In het voorjaar van 1953 nam Aldous Huxley het besluit, een experiment op zichzelf te ondernemen. Op een mooie vroege morgen liet hij vier-tiende gram mescaline oplossen in een half glas water, dronk het op en wachtte op de dingen die komen gingen. De dingen kwamen, alles werd vastgelegd en hij schreef er een essay over dat onder de titel The Doors of Perception tien maanden later is verschenen.

Mescaline is een 'geestverruimend' middel dat gewonnen wordt uit een cactus, de peyotl.

Het is wordt al eeuwen gebruikt door de Mescalero Apachen als opstapje bij hun godsdienstoefeningen. Het heeft een hallucinerende werking. Huxley beschrijft hoe de stof door de westerse wetenschap is ontdekt. Ik geef een samenvatting uit de encyclopedie. In de zevende druk van de Winkler Prins (1971)

wordt vermeld dat mescaline 'in zijn werking op LSD lijkt'; in de achtste (1982) is hieraan toegevoegd dat 'vele kunstenaars (o.a.

schrijvers) het middel als inspiratiebron gebruiken.' De geschiedenis laat zich soms op een onverwachte manier kennen als we vergelijken wat er over mensen en zaken in opeenvolgende drukken van encyclopediën wordt vermeld. Zoek eens Benito Mussolini op in de vijfde druk van de WP; het werpt weer een lichtje op de jaren dertig.

Huxley staat onder andere bekend als een 'scherpzinnig essayist'. Scherpzinnig: ook een woord uit de jaren dertig - althans, ik denk niet dat er nu nog veel essayisten zijn die het liefst zo willen worden genoemd. Gevreesd is beter maar ook al wat ouderwets. Fijnzinnig? Bevlogen? Diepgravend? Allemaal termen uit de tijd dat de literatuur nog 'een domein' was. Het schrijfbedrijf heeft behoefte aan een splinternieuwe terminologie.

Huxley zit dus in zijn kamer terwijl de mescaline langzaam door zijn hersenschors dringt.

Wat hij dan meemaakt laat hij in zijn essay door - zeer zeker - een scherpzinnige beschouwing vooraf gaan. 'Dat wij ons zelf kunnen zien zoals anderen ons zien is een buitengewoon welkome gave. Nauwelijks minder belangrijk is het dat wij anderen kunnen zien zoals die zichzelf zien. Maar wat, als deze anderen tot een andere soort horen en een universum bewonen dat radicaal verschilt van het onze?'

Toen ik deze regels voor het eerst las - in 1957, dat kan ik me goed herinneren - dacht ik: daar zit iets in. Al lang hoorde het toen tot mijn liefste wensen, mijn hersenen met die van een hond te kunnen verwisselen, met dit voorbehoud dat ik mijn mensenhersens mocht houden zodat ik als mens kon weten wat ik als hond dacht, en vice versa, en me dit ook allemaal zou kunnen herinneren. Ongeveer zoals er in een computer twee programma's kunnen zitten. Met het ene doe je ander werk dan met het andere, maar de resultaten zijn onderling uitwisselbaar.

Bijna veertig jaar geleden. De Nederlandse narco-état stond nog in de kinderschoenen; geestverruiming was een onderdeel van grensverlegging waaraan in de beste families werd meegedaan. Ook bij het Algemeen Handelsblad begon de redactie al een beetje de grenzen te verleggen, en zo hechtte de hoofdredacteur, mr. Chris Steketee, zijn goedkeuring aan een experiment, niet ongelijk aan dat wat Aldous Huxley had ondernomen. Een vrijwilliger van de kunstredactie, Wim Boswinkel, zou een 'klontje' gaan eten, een suikerklontje dat voldoende LSD bevatte voor een 'trip'. Alles onder het meest bevoegde toezicht.

Daarna moest hij er een verhaal over schrijven.

Wim Boswinkel was een begaafd verslaggever. Voor hij het experiment inging drukte ik hem op het hart: Probeer hond te worden! Hij beloofde zijn uiterste best te doen maar het is hem niet gelukt. De pagina met zijn wederwaardigheden heeft in de krant gestaan. Het zou de moeite waard zijn dit document eens op te zoeken, maar dat is een hels werk want toen stond nog niets op band, schijf of micro. Voor zover ik me kan herinneren was er veel sprake van uiteenspattende kleurengamma's. Zo kom ik vanzelf terug op Huxley.

Hij zit in zijn kamer, het glas is leeg. Er staat een bos bloemen die geleidelijk een extra-hoedanigheid krijgt, door de essayist in navolging van Meister Eckhart omschreven als Istigkeit. 'Ik bleef naar de bloemen kijken, en het scheen me toe dat ik in hun levende licht het kwalitatieve equivalent van mijn ademhaling ontdekte - maar dan van een ademhaling zonder de terugkeer naar het uitgangspunt, niet met het getij van een eb maar met de voortdurend herhaalde stroom van een verhoogde schoonheid, vol van een zich telkens verdiepende betekenis.' Beter kan ik het niet vertalen.

Of dit mooi proza is, of verhelderend, scherpzinnig, diepgravend laat ik buiten beschouwing, maar je wordt er in ieder geval niet veel wijzer van, en ook niet brandend nieuwsgierig. Ik citeer het omdat het typerend is voor zoveel dat door grote talenten in gehallucineerde toestand wordt beleefd en nuchter opgeschreven. Een welbespraakt iemand heeft weleens geprobeerd me uit te leggen wat hij had ervaren toen hij in staat van grote dronkenschap naast een chauffeur zat die met meer dan 100 kilometer per uur door een lange tunnel reed. Dat moest ook een geweldige ervaring zijn geweest, een afschieten in het Al, maar het was alleen duidelijk aan de ervaarder zelf. De woorden der nuchteren schieten tekort om te verklaren wat hun geheugen uit de hallucinatie te vertellen heeft.

Huxley snijdt dan filosofische vraagstukken aan, citeert onder meer Plato, Bergson, Blake en Boeda. Het geestverruimend middel - zo vat ik hem samen - is onverbrekelijk verbonden met de ingebouwde treurigheid van 'de menselijke conditie'. Het is een leven lang zoeken naar 'de deur in de muur', zoals H.G.

Wells het heeft uitgedrukt. Concreet wordt Huxley op pagina vijftig waar hij uitlegt dat deze geestverruiming van de Mescalero Apachen heel wat gezonder is dan onze verslaving aan drank en tabak.

Ik verbaas me dat dit essay niet is vertaald. Op de leestafel van geen enkele coffeeshop zou het mogen ontbreken.